Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

muur - (metselwerk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

muur 1 zn. ‘wand’
Onl. mūra ‘gemetselde wand’ in ovir mūrā irō ‘op haar muren’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. muur, mure ‘stenen muur, stadsmuur’ in binnen der stade mure ‘binnen de muren van de stad’ [1237; VMNW], binnen den muren vanden huse ‘binnenshuis’ [1299; VMNW], ook overdrachtelijk in goede geburen sijn starke muren ‘goede buren zijn een goede bescherming’ [ca. 1400; MNW]; vnnl. muer, mure in muer ‘stenen wand’ en mueren der stad ‘stadsmuren’ [1599; Kil.]; nnl. muur ook ‘binnenoppervlakte van een muur, wand’ in het portret aan de muur [1872; WNT uitdrukking].
Vroege ontlening aan Latijn mūrus ‘stenen muur, gemetselde wand’.
Ook ontleend zijn: os. mūr-; ohd. mūra, mūri (nhd. Mauer); oe. mūr (ne. vero. mure (ww.) ‘ommuren’); ofri. mūre (nfri. muorre); on. múrr (nzw. mur).
Latijn mūrus, uit Vroeglatijn moerus, moirus, is afgeleid van een wortel pie. *(H)mi- ‘versterken’ (IEW 709, LIV 426). Bij deze wortel horen ook Latijn moenia ‘stadsmuren, verdedigingswallen’ (zie → munitie); Sanskrit minóti ‘versterken, funderen, bouwen’; en in het Germaans mnl. mere, meere ‘paal, grenspaal’, on. mæri in landamæri ‘grensgebied’, oe. (ge)mǣre ‘grens’ < pgm. *ga-mairja-, met een betekenisverschuiving van ‘versterkte begrenzing’ naar ‘grens’ en ‘gebied’. Zie ook → meren ‘een schip vastleggen’.
De Romeinse bouwtechnieken, vooral in steen, waren zeer geavanceerd; in dit kader zijn in het Germaans al zeer vroeg een aantal woorden aan het Latijn ontleend, waaronder bijv. ook → kamer, → kelder, → venster en → zolder.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

muur1 [metselwerk] {oudnederlands mûra 901-1000, middelnederlands muur, muer} oudhoogduits mura, muri, oudengels, oudnoors múrr < latijn murus [(stads)muur].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

muur 1 znw. m. (wand), mnl. muur m., mûre v., onfrank. mūra, os. mūr-, ohd. mūra, mūrī v. (nhd. mauer), ofri. mūre v., oe. mūr m., on. mūrr < lat. mūrus m. Het vr. geslacht staat onder invloed van het woord wand. — Ontlening in de Romeinse tijd, met vele andere woorden van de huisbouw zoals kamer, kelder, pijler, poort, post, tegel, venster, wal en zolder.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

muur I (wand), mnl. muur m., mûre v. = onfr. mûra, ohd. mûra (mûrî) v. (nhd. mauer), os. mûr- (in samenst., verder een dat. mv. mûrun, van *mûr m. of *mûra v.?), ofri. mûre v., ags. mûr m., on. mûrr m. “muur”. Uit lat. mûrus “id.” ontleend; evenzoo andere woorden, op bouwen betrekking hebbend: vgl. kamer, kelder, paal, poort, post II, tegel, venster, zolder. Voor een alg.-germ. woord voor “muur” zie weegluis.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

muur 1 m. (wand), Mnl. id., Onfra. mûra, Onfra. mûr, gelijk Hgd. mauer, Fr. mur, uit Lat. murum (-us), verwant met mæne = vestingmuur.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

moer (zn.) muur; Aajdnederlands mura <901-1000>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

moer 1, zn.: muur. Oostelijke heterofoon van muur, met onverschoven oe uit Lat. murus, Ohd., Os. mûra, Mhd. mûr(e), Mnd. mûre.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

muur (Latijn murus)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

muur. In het antwoordvers Wat je zegt, ben je zelf komt herhaaldelijk een elliptische verwensing voor met muur als rijmwoord. Ik noteerde bijvoorbeeld in Beverwijk (ga) met je pik in de muur! In het West-Zeeuws-Vlaamse Schoondijke, in Grave, Amsterdam, Zaandam, Rijswijk en Hellevoetsluis, kent men (ga, val) met je kont door de muur! En in het Vlaamse Dilsen gebruikt men (val) met je tetten (tieten; pvs) tegen de muur! In het Achterhoekse Aalten leeft nog (zak) met je kont in de muur en uit Doetinchem bereikte ons (val) met je kop tegen de muur! In Breskens daarentegen kent men weer (ga, val) met je kop door de muur! Al die verwensingen moeten niet letterlijk genomen worden. De emotionele betekenis domineert en duidt op haat, afkeer, woede, minachting. Die emoties kunnen weergegeven worden door ‘rot op, donder op’ e.d. → elf, helft, koffiemelk, lepel, melk, tiet, touw en verf.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Muur, van ’t Lat. murus = muur, met den huizenbouw van de Romeinen overgenomen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

muur ‘metselwerk’ -> Ests müür ‘metselwerk’ (uit Nederlands of Duits); Negerhollands muur ‘metselwerk’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

Facebook [sociale-mediasite] (2008). In 2008 wordt de Nederlandstalige website van Facebook gelanceerd. Facebook werd in 2004 door de Amerikaan Mark Zuckerberg (1984) opgericht. De site wordt een eclatant succes en leidt tot nieuwe woorden en betekenissen als tijdlijn (‘chronologisch overzicht van activiteiten van een gebruiker’), muur (‘persoonlijke openingspagina’), liken en ontvrienden.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

muur metselwerk 0901-1000 [WPs] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1091. Iemand van het kastje naar den muur zenden (of sturen),

iemand van den een naar den ander zenden, zonder dat hij zijn doel bereikt, zonder resultaat. Vgl. no. 137 en Harreb. I, 384: Hij loopt van het kastje tot den muur; Tint. 50: Ze sturen je soms van de kast naar den muur; Het Volk, 14 April 1914, p. 3 k. 1; p. 9 k. 4; De Arbeid, 11 April 1914, p. 3 k. 2: Eerst met geduld gewacht op eenig antwoord, daarna werden zij van het kastje naar den muur gestuurd.

949. Met het hoofd tegen den muur loopen,

d.w.z. iets ondoenlijks willen uitvoeren en niet slagen; iets onmogelijks willen ten uitvoer brengen; eig. met zijn hoofd door een muur willen loopen, en dan zich bezeeren.Eene voorstelling hiervan vindt men bij Breughel no. 21. In de middeleeuwen in Grimb. I, 1808: Die met syn hooft wil dor den muer heeft dicke aventure suer; Mloep II, 2382: Wie lopen wil teghen die muyer mitten hoofde, die machet breken. Vgl. ook Goedthals, 54: Met den hoofde tegen den muur loopen, huerter la teste à la paroy; Winschooten, 356; Idinau, 16:

Hy loopt metten hoofde teghen den muer
Die hem tegen d'overste, of maghtigher stelt.
Hy en wint niet anders dan schade seer suer.
Rust liever u hooft, en spaert u gheldt.
De saechtmoedighe behouden ten eynden het veldt.

Hooft gebruikt naar analogie van deze uitdr. in zijne Ned. Hist. 494: Met het hooft teegens den heekel loopen. Hoe algemeen de uitdrukking bekend geweest is, blijkt uit de vele bewijsplaatsen bij Harrebomée I, 327 b. Volgens Schuermans, 278 a, zegt men in Limburg: al met den kof tegen den stijl loopen of alleen: tegen de stijlen loopen, waarvoor wij ook zeggen: ergens leelijk tegen aanloopen; zie ook Ons Volksleven V, 181; Teirl. II, 173; Waasch Idiot. 364: met uwen (of den) kop tegen den muur loopen; Antw. Idiot. 1909: met den kop tegen den muur willen, tegen het heil in, iets onmogelijks willen doen. In het Friesch: mei de kop tsjin 'e mûrre oan rinne; fr. donner de la tête contre un mur; se cogner la tête contre un mur; hd. mit dem Kopfe durch die Wand rennen wollen (Wander II, 1529); eng. to beat one's head against the wall.

1581. De muren hebben ooren.

Men bezigt deze uitdrukking, wanneer men iemand, die iets vertelt, wil te kennen geven, dat het raadzaam is, voorzichtig te wezen in zijn spreken; ook: in een gesloten vertrek moet men voorzichtig zijn met het behandelen van geheimen. In ongeveer denzelfden zin bezigt men: er is te veel dak (stroobedekking) op het huis of ook huis op 't dak (N. Taalgids XIII, 137; zie no. 397); in Limb. woeë veùl hegge zint, zint oock veùl mussje, waar veel muren zijn, zijn ook veel luistervinken (Jongeneel, 90). In Zuid-Nederland is onze zegsw. ook bekend (zie Waasch Idiot. 449 b; Antw. Idiot. 1909) naast er is look in de meersch (Schuermans, 326 b; De Bo, 648); er staat een boom in den weg (Schuerm. Bijv. 46); fri. der is mot om 'e teannen. Volgens Harreb. II, 111 b komt de uitdr. sedert de 17de eeuw voor. Vgl. het hd. die Wände haben Ohren; fr. les murailles ont des oreilles; eng. walls have ears; zie Wander IV, 1776 en vgl. lat. parietes arcanorum conscios timere.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal