Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

murmelen - (mopperen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

morren ww. ‘mopperen’
Mnl. morren, mueren ‘mopperen’ in sonder mueren ‘zonder mopperen’ [begin 14e eeuw; MNW], dies ic sere int herte morre ‘daarom mopper ik erg in mezelf’ [1350; MNW-R], Bytende ende morrende als een beer ‘bijtend en grommend als een beer’ [1415-35; MNW-R]; vnnl. morrende op de gemeente [1530; MNW].
Wrsch. een klanknabootsend woord.
Mnd. murren; (v)nhd. murren; on. murra (nzw. morra); alle ‘murmelen, brommen, mopperen e.d.’. Vergelijkbare oudere klanknabootsende woorden zijn onl. murmulon ‘morren, klagen’ [10e eeuw; W.Ps.] (mnl. murmeren, murmelen, nnl. murmelen), waarnaast: mnd. murmelen; ohd. murmulōn, murmurōn (nhd. murmeln); en buiten het Germaans Latijn murmurāre en Grieks mormū́rein ‘grommen’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

murmelen* [binnensmonds zeggen] {1569} vgl. oudnederlands murmelon, oudhoogduits murmulon, naast middelnederlands murmeren, murmuren {1285} middelnederduits murmeren, oudhoogduits murmuron; buiten het germ. latijn murmurare, grieks mormurein [bruisen, grommen], armeens mrmram [ik brul], oudindisch marmara- [ruisend], van een zeer productieve i.-e. stam met mu- die klanknabootsend is en waarbij hier reduplicatie optrad.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

murmelen ww. mnl. murmelen, onfrank. murmulon, ohd. murmulōn (nhd. murmeln) staan naast vormen met r zoals mnl. mormeren, murmeren, mnd. murmeren, ohd. murmurōn, die beantwoorden aan lat. murmuro, gr. mormúrō, asl. mrŭmrati evenals oi. murmura- ‘knetterend vuur’, marmara-’ruisend, geruis’, vgl. ook nnl. murmureren. — Dit zijn alle klankwoorden met reduplicatie, waaruit dan door dissimilatie van r-r later r-l ontstaan zijn. Zulke woorden kunnen te allen tijde gevormd worden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

morren ww., mnl. morren (murren). = mnd. murren, on. murra “brommen”. Van een reeds idg. onomatopoëtische basis. Vgl. nog ags. murcian “morren”, mnl. murkelen, meurkelen “id.” (nog dial.) en de reduplicatieve vormen ndl. murmelen, mnl. mormeren, murmeren (in associatie getreden met ’t ontleende murmurêren), onfr. murmulon, ohd. murmurôn, murmulôn (nhd. murmeln), mnd. murmeren, murmelen, lat. murmuro, gr. mormúrō, ksl. mrŭmrati, lit. murm(l)énti, arm. mṙmṙam, -im, alles geluid-aanduidende ww.; vgl. nog oi. marmara- “ruischend, geruisch”, murmura- “knetterend vuur”. In hoeverre deze woorden oerverwant en in hoeverre ’t jongere vormen zijn, is niet uit te maken. Zie nog brommen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

murmelen ono.w., Onfra. murmulon, gelijk Hgd. murmeln, door dissim. uit murmeren (zoo Mnl.; Ohd. ook murmurôn) + Skr. marmaras = ruischend, Gr. mormúrein, Lat. murmurare, Lit. murmzti: een reduplicatie van wrt. mur = brommen: z. morren.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Murmelen (Mnl. ook murmeren, Ohd. murmuron) is een verdubbeling van murren of morren, van den wt. mur (= knorren, een klanknabootsing); evenals ’t Lat. murmurare, dat in den bijbel als murmureeren (morren tegen God) voorkomt.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

murmelen ‘binnensmonds zeggen, mompelen’ -> Negerhollands murmel ‘binnensmonds zeggen, mompelen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

murmelen binnensmonds zeggen 1542 [Claes Tw. 12] <Latijn

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

mormor-, murmur- Schallwort ‘murmeln, dumpf rauschen’

Ai. marmara- ‘rauschend’ m. ‘das Rauschen’, murmura- m. ‘knisterndes Feuer’, murmurā ‘Name eines Flusses’; arm. mrmram, mrmrim (*murmur-am, -im) ‘murre, murmle, brülle’; gr. μορμύ̄ρω (*μορμυρι̯ω) ‘murmle, rausche’; lat. murmurō ‘murmle’, murmur n. ‘Gemurmel, Gemurr’; ahd. murmurōn, murmulōn, nhd. murmeln, Kurzform anord. murra, mhd. nhd. murren; Weiterbildung ags. murc(n)ian ‘klagen, murren’; ablautend norw. dial. marma ‘brausen (vom Meer)’; lit. murmlénti, murménti ‘murmeln’, murmė́ti, marmė́ti ‘murren, brummen’; ablaut. marmalaĩ ‘große Bremsen’ (eine Kurzform mit Dissim.m - m zu m - v scheint marvà, mervà ‘Bremse’); aksl. *mrъmrati ‘murmeln’.
Unredupl. mit n-Suffix ir. muirn (*murni-) f. ‘Lärmen, Sausen’.

WP. II 307 f., WH. II 130 f., Trautmann 190;zum Folgenden (mormo(ro)- )?

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal