Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

muil - (nakomeling van paard en ezel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

muildier zn. ‘nakomeling van ezel en merrie’
Mnl. eerst in de korte vorm mul ‘muildier, kruising van ezel en merrie’ [1240; Bern.], ook in de vrouwelijke vorm mulinne ‘vrouwelijke nakomeling van ezel en merrie’ [1240; Bern.], mule, muul ‘muildier’ in van den muule es desel vader ‘de ezel is de vader van het muildier’ [1285; VMNW]; vnnl. dan de samengestelde vorm muyl-dier ‘muildier’ [1599; Kil.].
Samenstelling van muil ‘nakomeling van een ezel en een paard’ met een verduidelijkend tweede lid → dier, dat werd toegevoegd ter vermijding van de homonymie met → muil 1 ‘bek’ en → muil 2 ‘schoeisel’. Het eerste lid is ontleend aan Latijn mūlus ‘nakomeling van een ezel en een paard’, vrouwelijk mūla.
Evenzo ontleend zijn: ohd. mūl (nhd. Maultier); oe. mūl (ne. mule); on. múll (nzw. mula, nde. muldyr).
Latijn mūlus is wrsch. ontwikkeld uit een vorm *mukslos en is dan verwant met Grieks mukhlós ‘ezel’. Hierbij horen ook Albanees mušk ‘muilezel’ en Oudrussisch mŭskŭ ‘id.’. Wrsch. gaan al deze woorden terug op een ontlening aan een niet-Indo-Europese taal uit Klein-Azië.
Lange tijd waren muildier, muilezel (zie onder) en het niet meer gangbare muylpeert, muylpaerd [1660; WNT muil II] min of meer synoniem. Het onderscheid tussen muildier ‘nakomeling van een ezel en een merrie’ en muilezel ‘nakomeling van een hengst en een ezelin’ bestaat pas sinds het eind van de 19e eeuw (WNT muilezel).
muilezel zn. ‘nakomeling van hengst en ezelin’. Mnl. eerst in dezelfde korte vorm mul, muul ‘nakomeling van ezelin en paard’ in dat paert ende ooc die esellinne, alsi versamen in hare minne, daer erehande muul of coomt ‘als het paard en de ezelin gemeenschap hebben komt er een soort muilezel van’ [1285; CG II], muyle ‘een dier dat een hengst bij een ezelin verwekt’ [1477; Teuth.]; vnnl. dan de samengestelde vorm muylesel, muylezel ‘muildier of muilezel’ [1608; WNT nagel I], ‘muildier’ in muyl-ezels, voortgeteelt uyt een ezel en merrie [1666; WNT voorttelen]. Samenstelling van muil (zie boven) en → ezel.
Lit.: Mesotten 2000, 389-390

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

muil2 [muildier] {muul, mule 1201-1250} middelnederduits, oudhoogduits, oudengels mul < latijn mulus (grieks muchlos, albaans musk).

muildier [kruising van hengstezel en merriepaard] {muyldier 1562} samenstelling van muil2.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

muil 2 znw. m., gewoonlijk muildier, muilezel, mnl. muul m., mûle m. v., mnd. mūl m., mūle m. v., ohd. mūl m. (nhd. maultier, maulesel), oe. mūl m., on. mūll m. alle teruggaand op lat. mūlus, dat te zamen met ezel in de germ. talen overgenomen is.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

muil 1 m. (dier), gelijk Hgd. maul, Eng. mule, Fr. id., uit lat. mulum (-us), van Gr. múkhlos = springezel. Muil of muilezel wordt voortgebracht door hengst en ezelin, muildier door ezel en merrie.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

muil s.nw.
Kruising tussen 'n eselhings en merrieperd.
Uit Ndl. muil (Mnl. muul, mule), in Ndl. later vervang deur muildier en muilezel, vorme wat ook in Afr. voorkom.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

mule (de, -s), (uitspr. E: mjoel), (gebr. in Nickerie, niet alg.) muilezel. - Etym.: E. - Zie ook: ezel*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

muil I: diers. (Equus mulus, fam. Equidae), Afr. ondersk. egter nie konsekwent tussen muil en esel (Equus asinus, fam. Equidae) nie, maar noem lg. dikw. donkie (q.v.); Ndl. muil, Hd. maul, Eng. mule, Fr. mule, ontln. aan Lat. mūlus, v. onseker herk. – ss. Ndl. muildier, Hd. maultier nie gebr. in Afr. nie, wel Ndl. muilezel, Hd. maulesel in Afr. as muilesel v. produk v. kruising tussen perdehings en eselmerrie.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Muil(dier) van ’t Lat. mulus = muildier (nl. jong van ezel en merrie) en muilezel (jong van paard en ezelin).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

muil paardachtige 1240 [Bern.] <Latijn

muildier paardachtige 1542 [Claes Tw. 12]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

muilezel (← Eng. mule), drugssmokkelaar.

Volgens Macias kwam de cocaïnestroom in de jaren zeventig naar de Verenigde Staten op gang met behulp van zogeheten ‘muilezels’, vliegtuigpassagiers die in ruil voor een weekeinde aan het Colombiaanse strand en een vergoeding en een paar kilo cocaïne verbergen in hun bagage of op het lichaam. (NRC Handelsblad, 19/03/88)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal