Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

muil - (bek)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

muil 1 zn. ‘bek van een dier’
Onl. mūl ‘bek’ mogelijk als toenaam van Willelmus Mule [1183; GN]; mnl. muul, mule in ter mule anct hem .i. snauel lanc ‘aan zijn bek (die van een olifant) hangt een lange slurf’ [1287; VMNW]; vnnl. ook ‘mond’ in ongunstige zin, zoals in Hy smeert hem den muyle, en gift hem een dreck daer in ‘hij smeert hem de mond en stopt er een drol in’ [1550; MNW].
Mnd. mūl, mūle; ohd. mūla (mhd. mūl, mūle, nhd. Maul); alle ‘muil, mond’; ofri. mūla ‘mond’ (nfri. mûle ‘id.’); on. múli ‘bovenlip van een dier, bek, uitstekende rots’ (nzw. mule ‘snuit, snoet (van dieren)’); got. in faurmūljan ‘muilbanden’; < pgm. *mūla(n)-, *mūlō(n)-. De Middelnederlandse vormen muul (m.) en mule (m./v.) zetten al deze vier stammen voort. In de loop van de middeleeuwen is muil in de West-Germaanse talen ook ‘mensenmond’ gaan aanduiden. Het woord heeft in die zin niet overal een ongunstige gevoelswaarde; in het Fries is het zelfs de enige betekenis geworden.
Soortgelijke vormen als muil zijn Grieks múllon ‘lip’ en Lets smaule ‘bek’. En zie de Nederlandse nevenvorm met anlautende -ssmoel. Ook wordt een groot aantal woorden met andere worteluitbreidingen of achtervoegsels dan -l- ermee in verband gebracht. Zo bijv. Latijn mūtus ‘stom’; Grieks mūkãn ‘brullen’; Sanskrit múñjati ‘brengt een toon voort’ en Lets musinât ‘fluisteren, murmelen’. Dit geheel van woorden vindt zijn oorsprong in een wortel *mū-/*mu-, die wordt omschreven als een klanknabootsing met samengeperste lippen van dof geluid (IEW 751-752). De door deze klankwoorden aangeduide begrippen hangen dan ook alle samen met het gebruik van de mond. Behalve muil kennen de Germaanse talen nog andere woorden die van dit complex deel uitmaken. Wat het Nederlands betreft kunnen in dit verband onder meer → mokken en mummelen worden genoemd.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

muil1* [bek] {mule 1287} oudhoogduits, oudfries mula, oudnoors múli; buiten het germ. latijn mutus [stom], muttire [mompelen], grieks mullainein [de mond verdraaien] (vgl. mysterie), litouws smaulė [muil], oudindisch mukha- [muil]; van een stam met de betekenis ‘mompelen’, vgl. smoel met anlautende s.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

muil 1 znw. m. ‘bek’, mnl. mûle, muul v. m., mnd. mūle v., mūl o., ohd. mūla v. (ook ‘snavel’), nhd. maul o., ofri. mūla m. ‘bek’, on. mūli m. ‘bek, bovenlip van dier, uitstekende rotspunt’, vgl. ook got. faurmūljan ‘muilbanden’. — Misschien een afl. van de idg. wt. *mū̆ ‘mompelen’, vgl. gr. múllon ‘lip’, mukós, mútis ‘stom’, lat. mūtus ‘stom’, oi. múka- ‘stom’, en met dentaal: lat. muttio ‘mompelen, pruttelen’, ohd. mutilōn ‘murmelen’, ne. mutter ‘mompelen’ en als klankwoord gr. , ‘uitroep van bedwongen pijn’ (IEW 751). — Zie ook: smoel.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

muil II (bek), mnl. mûle, muul v. (m.). = ohd. mûla v. “bek, snavel” (nhd. maul o.), mnd. mûle v., mûl o., ofri. mûla m. “bek”, on. mûli m. “bek, uitstekende rots”, ook got. blijkens faúr-mûljan “muilbanden”. Verwant is wsch. gr. múō “ik sluit mij (van lippen, dan ook van oogen enz.)”, misschien ook oi. múkha- “mond, muil, snuit”. Ook gr. mūthos “woord”? Nog hypothetischer is de vaak aangenomen verwantschap met lat. mûtus “stom”, gr. mukós, mútis; áphōnos (Hes.), múdos, múndos, mútēs, muttós “stom”, arm. munǰ, oi. mū́ka- “id”. Deze woorden zijn wsch. onomatopoëtisch, oorspr. = “mu zeggend, brabbelend, stamelend”, de bij mokken geciteerde woorden kunnen ook zoo’n onomatopoëtischen oorsprong hebben, desnoods ook gr. múō, maar de woorden voor “mond” wsch. toch wel niet. Mond is wel als *mu-nþ-a- met muil gecombineerd, maar dat is niet aannemelijk. De ndl. vorm smoel is een dial. vorm (vgl. poes I) van een variant met anlautende s, die mnl. in coe-smûle v. “koeienbek” voorkomt; vgl. lett. smul’ât “kwijlen, morsen”, smaulis, -e “Fresse”. Zie verder meesmuilen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

muil II (bek). Smoel in westelijke diall. wordt wel als een relictvorm met oe beschouwd (Kloeke Exp. 119 vlgg.); het kan evengoed een ospr. oostelijke vorm zijn. Het weinig verbreide moel ziet eruit als een jonge kruising van muil en smoel.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

muil 3 v. (smoel), Mnl. mule + Ohd. mûla (Mhd. mûle, Nhd. maul), Ofri. múla, On. múli (Zw. en De. mule) + misschien Skr. mukkam = muil, Gr. múein (van de lippen) = toegaan.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

moele (zn.) gezicht; Vreugmiddelnederlands mule <1287>. Ook: moul, mojl (zn.) muil, bek; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) maul, moul, Vreugmiddelnederlands mule <1287> < Rienlands Mule.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

moel, zn.: mond, muil. Dial., oostelijke vorm van muil, met niet gepalataliseerde [u:]. Afl. moelen ‘veel praten’, moelerd ‘praatjesmaker’. Samenst. moeljaan, moeljanus ‘kletsmajoor’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

moel 2, zn.: mond. Dial., oostelijke vorm van muil, met niet gepalataliseerde [u:].

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

muil II: (boekw. as simp., beter bek. i. bv. muilband), bek (v. dier); Ndl. muil (Mnl. mūle/muul), Hd. maul, misk. verw. aan On. muli,”bek; bolip v. dier, snoet; uitstekende rotspunt”; v. smoel.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Muil (bek; plat ook: moel), Germ. mulon, waarschijnlijk van mu, waarvan ook mond (Hgd. Mund) gevormd is.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

muil* bek 1287 [CG NatBl]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

mū̆-1 Schallnachahmung für den mit gepreßten Lippen erzeugten dumpfen Laut: ‘undeutlich reden, unartikuliert murmeln (daher auch Worte für ‘stumm’); Mund, Maul; den Mund geschlossen halten oder schließen’, mū-ko- ‘stumm’

1. Gr. μύ, μῦ ‘Ausruf gepreßten Schmerzes’, lat. mū facere, mutmut facere ‘mucksen’.
2. ai. mū́ka- ‘stumm’, arm. munǰ ‘stumm’, gr. μῡκός, μύτις, μυττός, μύδος, μυναρός, Hes. μυνδός ‘stumm’, lat. mūtus ‘stumm’; vgl. auch älter dän. mue, norw. mua ‘schweigen, nicht mucksen’; ahd. māwen ‘schreien’, lett. maunu, māwu, maût ‘brüllen’, čech. myjati ‘muhen’; hierher auch nhd. Möwe, ags. mǣw, mēw, aisl. mār (Pl. māvar), as. mēu ds.
3. [Ai. mukhá- n. ‘Mund’ stammt aus dem Dravidischen]; gr. μύλλον ‘Lippe’; μυλλαίνω ‘verzieheden Mund, schneide Gesichter’ (μύσταξ ‘Oberlippe, Schnurrbart’, s. Boisacq m. Lit.), ahd. mūla f., mhd. mūl n. ‘Maul’, mnd. mūle ‘Maul, Schnauze’, aisl. mūli ‘Maul, bes. Oberlippe an Tieren, hervorragende Felsspitze’, got. faúrmūljan ‘das Maul zubinden’ (ob mit anl. s- dazu norw. smaul, lett. smaule ‘Maul’??); s. auch unter mōu-lo- S. 750.
4. Mit dentalen Formantien:
Lat. muttiō, -īre ‘mucksen’, muttum nullum ‘keinen Muckser’ (vgl. oben mutmut); ahd. mutilōn ‘murmeln, rieseln’, musse ‘Quelle’, aisl. muðla ‘murmeln’, daneben mit germ. t: norw. dial. mutra, mengl. muteren, engl. mutter ds.; lit. mùtė ‘Maul’.
5. Gutturalerweiterungen (vgl. oben 2.):
Mit k: gr. μῡκάομαι ‘brülle’, μυχθίζω ‘schnaube, spotte’, mhd. mūhen, mūgen, mūwen ‘brüllen’, abg. mykъ ‘Gebrüll’, russ. myčatь ‘brüllen’, skr. slov. čech. mukati ‘brüllen’.
Mit g: ai. múñjati, mṓjati ‘gibt einen Ton von sich’ (Dhātup.); mucchanā ‘schwellender Ton’; gr. μύζω ‘bringe mit geschlossenen Lippen einen Laut hervor, stöhne’ (daraus lat. mussāre), μυγμός ‘Seufzer’;
lat. mūgiō, -īre ‘brüllen’, conmūgentō ‘convocantō’, mūgīnor ‘murmele laut, brause’ (auch ‘nūgārī et quasi tardē cōnāri’), umbr. muieto ‘muttītum’, mugatu ‘muttītō’, lat. mūgilāre vom Naturlaut des Esels; ahd. muckazzen ‘leise reden, mucksen’, nhd. mnd. mucken ‘mit halboffenem Munde reden’ (kk ist expressiv), ostfries. muk ‘Kuß’.
6. s-Erw.: gr. μύ̄ω ‘sich schließen, von den Lippen und den Augen’ (daher μύωψ ‘die Augen zusammenkneifend, kurzsichtig’; μυάω ‘beiße die Lippen zusammen’; von *μυστός ‘verschwiegen’: μύστης ‘in die Mysterien Eingeweihter’, μυστικός ‘die Mysterien betreffend’, μυστήριον ‘Geheimnis, geheime Zeremonie’, vgl. auch μυεῖν ‘in die Mysterien einweihen’; norw. mȳsa ‘die Augen zukneifen’; aus dem Germ. hierher auch mnd. mummelen, engl. mumble ‘murmeln’, mump, norw. mumpa ds.; mhd. mupf, muff ‘Verziehung des Mundes’, mupfen, muffen, mnd. mopen, engl. mope ‘gaffen’, engl. mop ‘Fratze’; vielleicht nhd. bair. mäuen ‘wiederkauen’ u. dgl.;
lett. musinât ‘flustern, murmeln’; hitt. mu-u-ga-ā-mi (mūgāmi) ‘spreche Klagegebete’.

WP. II 309 ff., WH. II 117, 119 f., 135, 139 f., Trautmann 188.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal