Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mug - (insect (onderorde Nematocera))

Etymologische (standaard)werken

H. Beelen en N. van der Sijs, ‘Woordsprong’, serie in: Onze Taal 2013-2021

Mug

Jeukende bulten, slapeloze nachten: muggen zorgen ook in het najaar voor veel ongemak. Tot overmaat van ramp brengen sommige soorten allerlei levensbedreigende ziekten over. Tegelijk is de mug van groot belang voor het ecosysteem: de larven, die organisch afval verorberen, zorgen ervoor dat de sloot geen stinksloot wordt, en voor vissen, vogels en vleermuizen is een mug een voedzaam hapje. Het Nederlands heeft aan dit insect een aantal bijzondere uitdrukkingen te danken.

Rondzoemend
Van oudsher is de mug in verband gebracht met overlast. “Berch ende dal vervullet met muggen al”, zo staat te lezen in de Spiegel Historiael, waarin Jacob van Maerlant rond 1285 een bijbelse plaag beschrijft. Het is een van de oudste vindplaatsen van het Nederlandse woord, dat een Indo-Europese oorsprong heeft. Deze herkomst deelt het met het Latijnse musca, het Franse mouche en het Russische múcha. Maar in deze talen is de betekenis ‘vlieg’. De oorspronkelijke Indo-Europese wortel moet een klanknabootsend woord zijn geweest met de algemene betekenis ‘rondzoemend diertje’. In het Nederlands en in andere Germaanse talen, zoals het Engels (midge), het Duits (Mücke) en het Zweeds (mygga), is de betekenis vernauwd tot ‘mug’.
Maar in tal van Nederlandse dialecten betekent mug (of een variant als mig, mugge, mügge, mog, mok) nog ‘vlieg’. “Wij noeme een vlieg altijd een mug en een mug is een langpôôt of een meezek”, aldus een woordenboek van de Hoeksche Waardse streektaal. Er zijn ook dialecten waarin we varianten vinden van het woord muggenscheet, waarmee op schilderachtige wijze een kleinigheid of een klein kind wordt aangeduid. Standaardtalige uitdrukkingen die gebaseerd zijn op de geringe grootte, zijn van een mug een olifant maken en met een kanon op een mug schieten. De inwoners van Haarlem dragen van oudsher de bijnaam muggen, misschien vanwege de drassige omgeving van de stad, waarin de beestjes welig tierden.

De drie musketiers
Een andere Nederlandse benaming voor tropische steekmuggen is muskiet. In de koloniale tijd was muskiet in de overzeese gebiedsdelen de algemene naam voor alle muggen die de mens het leven zuur maken. Het woord gaat terug op het Spaanse en Portugese mosquito, de verkleinvorm van mosca (‘vlieg’). Dezelfde oorsprong heeft het Franse moustique, dat tot in de zeventiende eeuw mousquite luidde. Dat de q en de t van plaats zijn verwisseld, heeft misschien te maken met een andere insectenbenaming: tique (‘teek’).
Het Italiaanse equivalent, moschetto, werd de benaming voor de vonk die bij het afvuren van een pistool uit de loop komt. Deze werd vergeleken met een snel wegvliegend insect. Vervolgens nam het woord de betekenis aan van het wapen waarmee deze flits werd voortgebracht. Via het Frans, dat het woord in de zestiende eeuw overnam als mousquette, belandde het in onze taal als musket. Het ouderwetse wapen is inmiddels in onbruik geraakt, maar de eveneens aan het Frans ontleende afleiding musketier (‘soldaat bewapend met een musket’) is nog springlevend. Les trois mousquetaires, de klassieke Franse avonturenroman van Alexandre Dumas père (1844), kwam in 2003 op de planken als de musical 3 Musketiers.
Omdat het lang duurde om een musket te laden, waren musketiers voor het man-tegen-man-gevecht bewapend met een degen of sabel. Bij Dumas zijn de musketiers dan ook vooral in de weer met slag- en steekwapens, en dat is de reden dat een Nijmeegse schermvereniging De 3 Musketiers heet.

Southappie
Ook canapé, een deftig woord voor ‘zitbank’, gaat terug op de mug. Het Franse leenwoord gaat via het Latijnse canapeum (‘rustbed’) terug op het Griekse kōnṓpion (‘bed met muskietennet’), een afleiding van het Griekse kṓnōps (‘mug’). In de loop der tijd is het muggennet dat het meubel omgaf, uit zicht geraakt. Alleen in het Engelse canopy (‘gordijn, baldakijn’) is iets van de oorspronkelijke betekenis bewaard. De verkleinvorm canapeetje kennen we als ‘hapje van belegd brood’. Deze betekenis is eveneens aan het Frans ontleend en ook in andere talen doorgedrongen, bijvoorbeeld het Afrikaans. In het Etimologiewoordeboek van Afrikaans wordt de betekenisverschuiving als volgt verklaard: “Die southappie word so genoem omdat die vulsel wat dit bedek, op die brood ‘sit’ soos mense wat op ’n canapé sit.”
In 1778 publiceerde Hieronymus van Alphen in zijn Proeve van kleine gedigten voor kinderen een versje over een mug die zo onvoorzichtig is een kaarsenvlam in te vliegen. De wijze les tot besluit is een gevleugelde uitdrukking geworden: “Eén uur van onbedagtsaamheid / Kan maken dat men weeken schreit.” Zo bezien is de mug een uitermate nuttig diertje.
[Beelen, Hans en Nicoline van der Sijs (2019), ‘Mug’, in: Onze Taal 10, 12]

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

mug zn. ‘insect (onderorde Nematocera)’
Onl. als toenaam van Walterus Muggo [1159; ONW]; mnl. mugge ‘mug’, eerst alleen in toponiemen: als toenaam van Heinrijcs van muggenberge ‘(van) Hendrik van Muggenberg’ (naar een plaatsnaam in Antwerpen) [1248-71; VMNW], Mugghenbete ‘Muggenbeet (Overijssel)’ [ca. 1313; Van Berkel/Samplonius], als simplex pas in berch ende dal vervullet met muggen al ‘berg en dal helemaal vol muggen’ [1350-1400; MNW]; vnnl. mug ‘mug’ [1566; WNT kemel].
Os. muggia; ohd. mucka (nhd. Mücke); nfri. mich; oe. mycg(e) (ne. midge); nzw. mygg(a); alle ‘mug’, ohd. en nfri. ook algemener ‘vlieg’; < pgm. *mugjō-, *mugja-, uit eerder *muw(w)iō-, *muw(w)ia-. Daarnaast staat on. ‘mug’ (nno. my) < pgm. *mūwia- of *mūia-. Deze variatie is vergelijkbaar met die van on. brú ‘burg’ naast West-Germaans *brugjō-, zie → brug. De herkomst van de -g- is duister.
De wortel pgm. *mūw-, *muw- gaat terug op pie. *mu-, *mū- (IEW 752), dat wel een klanknabootsende wortel zal zijn. Verwant zijn dan: Latijn musca (zie → mus); Grieks muĩa (< *musjā); Litouws mùsė; Oudkerkslavisch mucha (Russisch múcha); alle ‘vlieg’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mug* [insect] {mugge 1201-1250} oudsaksisch muggia, oudhoogduits mucka, oudengels mycg (engels midge), oudnoors ; buiten het germ. latijn musca, grieks muia, oudrussisch, kerkslavisch mucha [vlieg], mŭšica [mug], oudpruisisch muso [vlieg], litouws musė [vlieg], armeens mun [mug]; van een klanknabootsende stam met de betekenis ‘zoemen, geluid maken’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mug znw. v. (in gron. en fri. mich ‘vlieg’), mnl. mugghe v., os. muggia v., ohd. mucka v. (nhd. mücke), oe. mycge v. en mycg m. (ne. midge) ‘mug’, nzw. mygga. Grondvorm kan zijn *mūwiōn > westgerm. *mūgwiōn, vgl. ook on. mȳ > *mūja of *mūwia. — Van de idg. wt. *mū, die wel aanduiding van het geluid van het zoemen zal zijn, is afgeleid *mus zoals in mnl. meusie, mesie, w vla. meuzie, mezie, meuze, meze, beantwoordend aan gr. muĩa ( < *musjā) ‘vlieg’, osl. mucha ‘vlieg’, mŭšica ‘mug’, lit. musė̃, lat. musca ‘vlieg’ (IEW 752). Misschien ook nzw. dial. (Gotland) mausa ( < *mūsa), indien dit niet aan het baltisch ontleend is).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

mug znw. (gron. = “vlieg”, evenzoo fri. mich), mnl. mugghe v. = ohd. mucka v. “mug, vlieg” (nhd. mücke), os. muggia v., ags. mycge v., gew. mycg m. “mug” (eng. midge), de. myg, zw. mygg(a) “id.”. Grondvorm germ. *muwja-, *muwjôn-. De ʒ, g ontstond uit w evenals in brug e. dgl. Zonder ʒ, g on. mŷ o. “mug”. Verwant zijn lat. musca, gr. muīa “vlieg”, obg. mŭšica gr.“kōnō, skníps”, mucha “vlieg”, opr. muso, lit. musė̃) “vlieg”, alb. mize “mug”, arm. mun “steekmug”. Van de verlengde basis mū̆-s- komen in’t Germ.: l. gotlandsch mausa (*mûsa), 2. mnl. mȫsie, mēsie v., wla. meuz(i)e, mez(i)e “mug” (= gr. muīa, lit. musė̃, obg. *mŭšu), 3. gloss. bern. mus “culex”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

mug v., Mnl. mugghe, Os. muggia, gelijk Ohd. mucka (Mhd. mücke, Nhd. id.) Ags. mycge (eng. midge), On. (Zw. mygg, De. myg): Ug. *muwj-, waarvan de w tot g werd gelijk in jeugd; z. voorts meuzie. + Skr. wrt. muj = klinken, Gr. múzein, Lat. mugire= loeien: onomat.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

mögk (zn.) mug; Vreugmiddelnederlands mugge <1240>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

muk, mek, meg, zn.: mug. Vnnl. mucke ‘vlieg’ (Kiliaan). Ohd. mucka, Mhd. mücke, mucke, mügge ’mug, vlieg’, D. Mücke ‘mug’. Germ. *mugjô(n) < *muwjô(n) < Idg. wortel *mû-, voor het zoemgeluid.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

muggie s.nw.
1. Klein, vlieënde insek wat in groot swerms baie lastig is, maar nie bloed suig nie. 2. Iemand of iets wat klein is.
In bet. 1 'n afleiding met -ie van Ndl. mug of ouer Ndl. mugge (al Mnl.), met Afr. muggie wat as verkleinw. die kleinheid van die insek weerspieël. Bet. 2 het in Afr. self ontwikkel.
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1964 in bet. 1, 1970 in bet. 2).

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

mug: klein, nietig persoon. Fransen gebruiken het scheldwoord microbe.

De blonde draaide zijn hoofd weêr half om en lachte met vuile tanden, vragend: Zoo, krijg ik dan oorvijgen van je terug, kleine mug? (Lodewijk van Deyssel, De kleine republiek, 1889)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Mug, verwant met den Germ. wt. mug = brommen, vgl. ’t Fr. mugir.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

mug ‘insect’ -> Frans † mugote ‘insect’; Zuid-Afrikaans-Engels muggie ‘insect’ <via Afrikaans>.

Dateringen of neologismen

F. Bakker, E. van Ruijsendaal, P. Uljé, D. van Zijderveld, Vindpunt.nl – elektronisch doorzoekbare Woordenlijst Overbodig Engels met Nederlandse tegenhangers, uitgebreide en verbeterde voortzetting van de boekuitgaven Funshoppen in het Nederlands (2009) en Op-en-Top Nederlands (2015)

mug zn. Ontleend aan het Engels.
[alg.] = mok. Koffie is in deze koffietent goedkoper als je je eigen mok meebrengt.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mug* insect 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1571. Van een mug (of een vlieg) een olifant maken,

d.i. een kleinigheid belachelijk overdrijven (Ndl. Wdb. X, 121; IX, 1194), hetzelfde als van een luis een schildpad maken (Harreb. II, 41); van een veest of een scheet een donderslag maken; vgl. R. Visscher: Weermaecksters van donderende veesten (V. d. Laan II, 99); Schuerm. 581; Antw. Idiot. 1069; Tuinman I, nal. 30; Harreb. I, 143; hd. einen Furz für einen Donnerschlag ansehen); van een vingerlid eene el maken ('t Daghet, XII, 144); eenen donderslag maken van eene neute, die kraakt (De Bo, 749); hy maakt van een strooyen kruis een looden kruis (Tuinman I, nal. 29). De uitdr. komt in de 17de eeuw voor bij Idinau, 292: Ten is gheen kleyn dinck, een peerdt in een wiege: Dat seght-men uyt spot, van sulcke verwaende die een oliphant maecken van een vlieghe; De Brune, 25: Hy maect ons met zijn diep verstand van vliegh of mugh' een olyfant. Zie verder Tuinman I, 231: Zoo maakt men van een splinter een balk, en van een muis een olifant; Halma, 733: Van eene vlieg eenen olifant maaken, eene zaak zeer vergrooten, faire d'une mouche un éléphant; Harreb. II, 107 b; Villiers, 83. Dezelfde uitdr. bestaat ook in het Fransch, het Duitsch, het Engelsch, het Zweedsch, het Deensch en het Italiaansch; hoogstwaarschijnlijk is zij ontleend aan het Grieksch ελεφαντα εκ μυιας ποιειν; zie Wander III, 744 en Otto, 39.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

mū-2, mus- schallnachahmend für ‘Mücke, Fliege’

Arm. mun, Gen. mnoy ‘Stechmücke’ (*mus- oder *mu-no-); alb. mü-zë, mi-zë (zë Diminutivsuffix) ‘Mücke’; gr. μυῖα (*μυσι̯α) ‘Fliege’; lat. musca; aisl. mȳ n. (*mūja-) ‘Mücke’; schwed. mygg, mygga, ags. mycg, as. muggia, ahd. mucka ‘Mücke’ (*muki̯ā́); mit -s- gotländ. mausa (*mūsa), fläm. meuzie (*musī); lit. musė̃, apr. muso, lett. mũsa, muša ‘Fliege’; abg. mucha ‘Fliege’ (*mousā), mъšica ‘Mücke’.

WP. II 311, WH. II 133, Trautmann 191, Specht Idg. Dekl. 43.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal