Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

motor - (machine die energie omzet in beweging)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

motor zn. ‘machine die energie omzet in beweging’
Nnl. motor ‘machine die beweging levert’ [1878; Winkler Prins], een petroleum motor van zes paardekrachten [1892; Krantenarchief Eemland], ook overdrachtelijk in die daad moet de motor zijn die de vrouwenbeweging een enormen stoot voorwaarts geeft [1897; Krantenarchief Eemland].
Ontleend aan Engels motor ‘toestel dat energie omzet in beweging’ [1856; OED], eerder al ‘veroorzaker van beweging, drijvende kracht’ [1568; OED], ontleend aan Latijn mōtor ‘beweger’, afleiding van movēre (verl.deelw. mōtus) ‘bewegen, in beweging brengen’; zie ook → mobiel 1, → motie, → motief. De betekenis ‘toestel dat energie omzet in beweging’ heeft het Engels mogelijk zelfstandig ontwikkeld, maar een andere mogelijkheid is betekenisontlening aan Frans moteur, dat ook teruggaat op Latijn mōtor, en dat reeds in 1744 is geattesteerd in de betekenis ‘toestel dat beweging levert’ [TLF]. Een derde mogelijkheid (Kluge) is betekenisontlening aan Italiaans motore ‘id.’ [1869; DELI], eerder al in het mv. motori ‘opwekkers van elektriciteit’, letterlijk ‘bewegers’ [1792; Kluge], dat ook teruggaat op Latijn mōtor.
Latijn movēre is verwant met Sanskrit mī́vati ‘bewegen, duwen’, kā́ma-mūta- ‘door verlangen bewogen’; Oudkerkslavisch myti ‘wassen’ (Russisch myt'); bij de wortel pie. *mieuh1- ‘heen en weer bewegen’ (LIV 445). Hierbij misschien ook Litouws máuti ‘aanschuiven (bijv. een ring aan de vinger); aandoen’ (< *mouH-), zie → mouw.
In 1792 ontdekte de Italiaanse natuurkundige Allessandro Volta (1745-1827) dat twee metalen bij contact elektriciteit deden ontstaan, die voor beweging zorgde. Hij noemde deze metalen motori ‘bewegers’ en bedacht ook de verbinding motori di elletricità, later elettromotori ‘opwekker(s) van elektriciteit’, een naam die hij gaf aan de zogeheten zuil van Volta (1800), in feite de eerste batterij. Al spoedig werd ook het enkelvoud motore gebruikt.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

motor [machine die beweegkracht levert, stuwende kracht] {1892} < latijn motor [beweger], van movēre (verl. deelw. motum) [heen en weer bewegen, in beweging brengen].

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† motor znw. In de 19e eeuw ontleend aan eng. motor (lat. môtor).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1motor s.nw.
1. (ongewoon) Dryfveer vir 'n handeling of verdere ontwikkeling. 2. Masjien of enjin wat d.m.v. elektrisiteit, petrol, ens. beweegkrag verskaf. 3. Selfaangedrewe voertuig met vier wiele wat meestal op paaie gebruik word vir die vervoer van passasiers.
Uit Eng. motor (1586 in bet. 1, 1856 in bet. 2, 1900 in bet. 3).
Eng. motor in bet. 1 en 2 uit Latyn mōtor 'iemand of iets wat beweeg', 'n afleiding van movēre 'beweeg'. Eng. motor in bet. 3 is 'n verkorting van motor car (1895) 'kar wat deur 'n motor aangedryf word'.
D. Motor (19de eeu), Fr. moteur (in bet. 2), Ndl. motor (1892 in bet. 2).

mouster s.nw. (geselstaal; ongewoon; verouderend of enigsins skertsend)
Motor (1motor 3).
Vervorm uit mouter (1mouter).

1mouter s.nw. (geselstaal; ongewoon; verouderend of enigsins skertsend)
Motor (1motor 3).
Verafrikaanste vorm van Eng. motor (1900).

Thematische woordenboeken

P.H. van Laer (1949), Vreemde woorden in de natuurkunde, Groningen/Batavia.

Motor (Lat.; = beweger; movére = in beweging brengen). Machine die drijfkracht levert.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

motor ‘machine die beweegkracht levert, stuwende kracht’ -> Indonesisch motor; (Bahasa Prokem) tomor ‘machine; motorfiets, scooter; auto; bewegende kracht achter iets’; Ambons-Maleis motor ‘motor(boot)’; Atjehnees mòtò ‘machine die beweegkracht levert; auto; motorfiets’; Balinees montor ‘machine die beweegkracht levert; motorfiets; bus’; Gimán motor ‘(buitenboord)motor; boot met buitenboordmotor’; Iban mutu ‘machine die beweegkracht levert’ (uit Nederlands of Engels); Jakartaans-Maleis montor, mostor, motor ‘machine die beweegkracht levert, stuwende kracht; motorfiets’; Javaans montor ‘machine die kracht levert; auto’; Madoerees montor, motor ‘auto’; Menadonees motor ‘motorfiets’; Minangkabaus motor ‘machine die kracht levert; auto’; Muna motoro ‘motorfiets’; Sranantongo motro ‘machine die beweegkracht levert, stuwende kracht’; Aucaans moentoloe ‘machine die beweegkracht levert, stuwende kracht’; Sarnami motar ‘motorfiets’; Surinaams-Javaans montor ‘machine die kracht levert; auto’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

motor machine die beweegkracht levert, stuwende kracht 1892 [WNT dynamometer] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal