Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mot - (veenachtige aarde)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mot3* [veenachtige aarde] {mot [molm] 1373-1376} hoogduits Mott [modder], fries mot [turfmolm]; hetzelfde woord als het eerste deel van motregen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

mot 5 o. (turfmolm, afval), + Fri. mote, Zwits. mutte, Beier. mott = opgehoopte aarde + Fr. motte, It. motta, Sp. mota = hoop aarde, zode.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

mot 2, zn.: heuveltje, struik als deel van een heg. Br. mot ‘aardhoopje, aardheuveltje (als bloembed)’; Vl., m.n. Wvl. mote ‘heuveltje waarop boerenhuis staat, hoeve omringd door ringgracht’. Eig. ‘kleine hoogte’. Een kasteel, een boerenhuis, een windmolen stond op een mote. Vgl. Beiers mott ‘opgehoopte aarde’, It. motta, mota ‘hoop aarde’, Ofr. mote, Fr. motte, wellicht uit Voorlat. mutt(a).

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

mot 2, zn.: aardhoopje, aardheuveltje (als bloembed); struik als deel van een heg, haagstronk. Vl., m.n. Wvl. mote ‘heuveltje waarop boerenhuis staat, hoeve omringd door ringgracht’. Eig. ‘kleine hoogte’. Een kasteel, een boerenhuis, een windmolen stond op een mote. Vgl. Beiers mott ‘opgehoopte aarde’, It. motta, mota ‘hoop aarde’, Ofr. mote, Fr. motte, wellicht uit Voorlat. mutt(a).

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

mote (noordoost), zn. v.: heuveltje waarop boerenhuis staat, hoeve omringd door ringgracht. Vooral Wvl. Eig. 'kleine hoogte'. Een kasteel, een boerenhuis, een windmolen stond op een mote. Ofr. mote, Fr. motte, wellicht uit Voorlat. mutt(a).

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

mot IV struik als deel v.e. heg (Haspengouw, Brabant). « fra. motte ‘heuveltje, daarop staand kasteel’. vla. mote ‘heuveltje, daarop staand kasteel, molenberg’ « ouder fra. mote. Het woord komt wschl. uit het substraat, evenals zwits. mutte, Beiers mott ‘opgehoopte aarde’, it. motta, mota ‘hoop aarde’.
WBD 226, WNT IX 1174, WVD II afl. V 12.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

mot 2 (K), zn. m.: hoop geld. Mischien uit Fr. motte ‘hoogte’. Zie mote.

mote, zn. v.: kleine hoogte, heuveltje. Een kasteel, een boerenhuis, een windmolen stond op een mote. Ofr. mote, Fr. motte, wellicht uit Voorlat. mutt(a).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal