Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

morsdood - (ineens of volkomen dood)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

morsdood bn. ‘ineens of volkomen dood’
Vnnl. eerst in de vaste verbinding mors doot, mors dood ‘ineens dood, abrupt dood’ in schotense ... hem mors doot [1597; WNT verreppen], ook ‘volkomen dood’ in doot, ja mors doot [1693; WNT wipperwapperen]; nnl. dan de samenstelling morsdood in twee minsen morsdood gebleven ... woare [1857; WNT weerglas].
Ontleend aan Nederduits mursdot, van murs ‘ineens, plotseling, geheel en al’, dat wrsch. verwant is met Duits morsch ‘brokkelig, vermolmd, broos’ [16e eeuw; Pfeifer], ouder ook mursch ‘id.’ [15e eeuw; Pfeifer], dat ook voorkomt in uitdrukkingen als morsch entzwei ‘zomaar in twee stukken, abrupt in twee stukken’. Zie → morsen.
In het Nederlands zal de associatie met Latijn mors ‘dood’ zeker een rol hebben gespeeld.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

morsdood [ineens dood] {1598} < nederduits mursdot, waarin murs, mors [plotseling, geheel en al], mogelijk samenhangend met vermorzelen, mogelijk geassocieerd met latijn mors [dood].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

morsdood bnw. sedert de 17de eeuw < nnd. mursdot, waarin murs, mors betekent ‘plotseling, geheel en al’. Een jonge formatie, misschien uit de schooltaal en dan bevattend lat. mors ‘dood’.

Mogelijk is ook verband met nhd. morsch entzwei en dan kan men verdere samenhang met vermorzelen vermoeden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

morsdood bnw., sedert de 17.eeuw. Samenst. uit mors en ’t bnw. dood. Dit oudnnl. mors “in eens” is wsch. ontleend òf uit. hd. morsch (bijv. in morsch entzwei) òf uit ndd. murs, dat op dgl. wijze gebruikt wordt. Deze woorden maken een jongen, interjectie-achtigen indruk, zouden echter ook oud en met vermorzelen verwant kunnen zijn. Mhd. murz m. “stukje, stompje” (de gen. murzes = “geheel en al”), ohd. murzilingun “absolute” zouden dan van een germ. variant mur-t- kunnen komen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

morsdood bijv., uit dial. Hgd. morsch-, murschtot, waarvan het eerste lid behoort bij mortelen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

morsdood b.nw.
Heeltemal dood.
Uit Ndl. morsdood (1598). Eerste optekening in Afr. by Mansvelt (1884) wat soos volg opmerk: "Mors bet. eig. verpletterd, verbroken, en komt van een oud ww. morsen (verpletteren) waarmee verwant zijn: vermorzelen, mortel, mortier, moord, enz.".
Ndl. morsdood uit Nederduits mursdot, 'n samestelling van murs (ook mors) 'plotseling, heeltemal' en dot 'dood'.
Vanuit Afr. in S.A.Eng. in die vorm moors dood (1893).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

morsdood: geheel en al dood; Ndl. (sedert d. 17e eeu) morsdood, vlgs. sommige uit Ned. mursdot (murs/mors, “plotseling, geheel en al”), vlgs. ander uit Hd. murz/mors(ch), “dwarsdeur; meteens”, terwyl mntl. verb. m. Lat. mors, “dood”, nie uitgesluit word nie; v. ook morsaf.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

morsdood (Nederduits mursdot)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

morsdood ineens dood 1598 [WNT] <Nederduits

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1558. Morsdood,

d.w.z. in eens, plotseling, geheel en al dood, kiksdood (Claes, 109), pietdood (zuidndl.). Het eerste gedeelte van dit woord beantwoordt aan het nd. murs, hd. murz naast morsch, bijv. in morsch entzwei; vgl. tirol. murzjung; mhd. adv. murzes, geheel en alNdl. Wdb. IX, 1149; Franck-v. Wijk, 443.. Verwantschap met het wkw. vermorzelen en een znw. morzel, dat we kennen in de uitdr. te morzel slaan, verbrijzelen, waarnaast vroeger ook te mortel (vgl. nd. murt, gruis) slaan (Sewel, 500) is ook mogelijkMnl. Wdb. IV, 1952; De Jager, Frequ. I, 417; Antw. Idiot 834: geen morzel, niets; Zeitschr. f. D. Wortforschung, XIII, 329-334; Germ.-Rom. Monatschrift IV, 607; Franck-v. Wijk, 443.. Vgl. Rusting, 519; Halma, 361: Morsdood, roide mort; Sewel, 499: Hy viel morsdood, he fell stone-dead.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal