Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

moot - (afgesneden stuk, meestal van vis)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

moot zn. ‘afgesneden stuk, meestal van vis’
Mnl. moot ‘afgesneden stuk’ in Neghienen salmen te snijden an mooten ‘geen zalmen in stukken te snijden’ [eind 14e eeuw; MNW slim]; vnnl. Andere bereyden tvleesch, en snedent aen moten ‘anderen bereidden het vlees en sneden het in stukken’ [1561; WNT].
Blijkens de verwante woorden in de andere Germaanse talen (zie onder) moet het woord zijn overgenomen uit een Noordzee-Germaans dialect waarin Proto-Germaans *ai > West-Germaans ā > ō.
Nnd. māt(e), mōt(e); < pgm.*maita-, afleiding van het sterke werkwoord *maitan- ‘snijden’, dat in meer Germaanse talen voorkomt: ohd. meizan ‘id.’ (waarbij meizil ‘beitel’, nhd. Meißel); on. meita (nno. meita ‘steken; trimmen; hengelen’, nzw. meta ‘hengelen, vissen’); got. maitan. Bij dezelfde wortel *mait- hoort ook de West-Germaanse afleiding *ā-mait-jōn- ‘mier’, letterlijk ‘afsnijdster’ (nhd. Ameise, ne. ant).
Geen verwante woorden buiten het Germaans. Wellicht is het een dentaalafleiding van de wortel pie. *meiH- ‘slinken, verminderen’ (LIV 427), waarbij: Latijn minuere ‘verminderen’; Grieks minúthein ‘id.’; Sanskrit minā́ti ‘id.’.
Lit.: R. Bremmer (1997), ‘Middle Dutch loosten “redeem”: a case of “derailed” coastal vowel substitution’, in: Germanic Studies in Honor of Anatoly Liberman (= NOWELE 31/32), Odense, 43-46

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

moot* [schijf] {1567} vgl. oostfries mote, mate, van oudhoogduits meizan, oudnoors meita, gotisch maitan [snijden]; verdere etymologie onbekend.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

moot znw. v. m., vgl. oostfri. māt(e), mōt(e) gaat dus terug op een fri. *māte < germ. *maitō ‘afgesneden stuk’; het woord behoort bij het ww. *maitan, vgl. ohd. meizan, on. meita, got. maitan ‘snijden’ van de idg. wt. *maid, een dentaal-afl. van *mai vgl. met s-praefix gr. smílē ‘snijmes’ (en zie: smid), en verder oiers máel ‘kaal, stomp, zonder horens’ (IEW 697).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

moot znw., eerst nnl. Kil. geeft op “moete, moes. Holl. Segmen salmonis, tomus, segmentum”. Dit moete, dat ook in Junius’ Nomenclator voorkomt, zou met meten kunnen ablauten: “af-, toegemeten stuk”; verder zou men moot als een vervorming hiervan kunnen beschouwen. Aangezien echter 1. de oorzaak van een dgl. vervorming niet te begrijpen is, 2. een vorm met ô zoowel op Goeree als op de Veluwe, in den Achterh. en Gron. voorkomt, 3. het Oostfri. mât, mate, môt, mote met de bet. “moot” kent, is voor moot de oude verklaring ’t aannemelijkst: dat ’t op een ofri. *mâte > *maitô- teruggaat, dat, overgenomen in die diall., waar â in ô veranderde, in môte is overgegaan; vgl. flikflooien. De oude vorm moete kan bezwaarlijk = moot zijn. Antw. mook (ô) “moot” is wsch. een vervorming. Germ. *maitô- is gevormd van den stam van got. maitan, on. meita, ohd. meiʒan “snijden”. Voor eventueele verwanten zie mijt I. Verder is verwantschap met ier. mael “kaal, stomp, ongehoornd” mogelijk, maar onzeker. Met mi- kan smi- oorspr. identisch geweest zijn: vgl. dan nog gr. smílē “mes, stift”: dit komt echter veeleer van een basis smi- met de bet. “een strijkende, slaande beweging maken” (zie smid, smijten).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

moot v., bij Kil. moete, met ô voor ê uit een Fri. dial.: Gron. moate + Oostfri. mote, mate: behoort bij Go. maitan, On. meita, Ohd. meiʒan = stuk snijden, Hgd. meiszel = beitel.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

mook 2, zn.: moot (vis). Var. van moot met k via stembandocclusief.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

2moot ww.
In mote (1moot 1 en 3) of mootjies verdeel.
Afleiding van moot (1moot) of uit Ndl. mooten (1750).

1moot s.nw.
1. Stuk, skyf of reep. 2. Mootjie. 3. (verouderend) Stuk hout wat verkry word deur 'n boom in die lengte in verskillende dele te verdeel deur dit bv. te saag of te kap. 4. Verdiepte smal lyn, strook of merk deur 'n voorwerp of handeling veroorsaak. 5. Trog tussen berge of heuwels.
In bet. 1 en 2 wsk. uit Ndl. moot (1567 in bet. 1, 1665 in bet. 2). Bet. 3, 4 en 5 het in Afr. self ontwikkel. Eerste optekening in vroeë Afr. in bet. 3 op 16 November 1668 in die aanhaling "duijsent mooten ebbenhout" (Resolusies van die Politieke Raad, C.5).
Ndl. moot hou wsk. verband met Goties maitan 'sny, afkap'. Die verdere etimologie is onbekend.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

moot (H), zn.: houtblok, kachelblok. Ongetwijfeld hetzelfde woord als moot 'vissnee'. Vnnl. moete 'zalmmoot' (Kiliaan). Ofri. *mâtei, Oost-Fries mote, mate, Germ. *maitô 'afgesneden stuk', Ohd. meiZan, On. meita, Got. maitan 'snijden'.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

moot (de, moten), 1. ros, d.i. stengellid van suikerriet. Die ander heeft z’n hand geslagen om z’n schouder, hemd* opengesprongen, mooi van borst, net of hij van bauxiet gemaakt is, prachtige nek heeft hij, als het dikste riet*, één glanzende moot daarvan () (Cairo 1980a: 96). - 2. (vaak: mootje) partje van sinaasappel of andere citrusvrucht. Voor we naar huis gaan moeten we door het oude kampement*, een verzameling rottende barakken, lopen om een paar curaçaose oranjes* te plukken. Daarmee wrijven we de tabakslucht van onze vingers. Met de mootjes, die we verdelen, poetsen we onze tanden (Ferrier 1968: 66). - 3. stuk van arm of been tussen twee plooien (i.h.b. bij baby’s), vleeskwab, i.h.b. ook bil (een van de twee). Hij schudde, draaide met z’n lichaam, met dikke moten van vlees schokkend langs buik, borst, onderhoofd en arm (Cairo 1980b: 107). Rechtermoot van d’r bil, leek of ’t had een boetzweer* (Cairo 1980c: 122). - Etym.: AN m. = afgesneden stuk i.h.b. van vis. In alle SN bet. is er sprake van een ’deel’.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

moot II: reep (veral v. vis); Ndl. (sedert 17e eeu) moot, (ouer ook) moete, hou blb. verb. m. maat I en meet I en wsk. ook m. Got. maitan, “afkap, (af)sny”.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

moot. De verwensing val in moten voor mijn poten! drukt woede, minachting en opperste onverschilligheid over het lot van een opponent uit en kan weergegeven worden met ‘sterf, val dood’. Men vindt deze regel in het verwensingsrijmpje barst, verrek, verrot, verteer enz.barsten, vallen.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Moot, verwant met ’t Got. maitan = stuk snijden.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

moot ‘schijf, afgesneden stuk’ -> Fries moat ‘schijf, afgesneden stuk’; Zuid-Afrikaans-Engels mootjie ‘schijf, afgesneden stuk’ <via Afrikaans>; Menadonees mot ‘in stukken verdelen’; Papiaments mochi ‘schijf, afgesneden stuk’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

moot* schijf 1665 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal