Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

monteren - (in elkaar zetten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

monteren ww. ‘in elkaar zetten’
Vnnl. monteren ‘voorzien (van), uitrusten (met)’ in van ... een Leere fraey ghemonteirt ‘fraai voorzien van een lederen hengsel’ [1561; WNT zaad], ‘opmaken, in orde brengen’ een rapier of degen geheel gemonteert, te weten ... vergult geciseleert en met silver ingeslagen [1662; WNT zwaardveger]; nnl. monteren ‘in een vatting zetten’ in steentjes ... in goude bandjes gemonteerd [1762; Vad.lett., 68], ‘voorzien van, bevestigen aan’ in gemonteerd met een ... koperdraad en knop [1791; Vad.lett., 70], ‘gereedmaken, samenstellen, de verschillende delen verenigen’ [1847; Kramers], ‘aanleggen, in elkaar zetten’ in het monteeren van hoogspanningsinstallaties [1911; NRC].
Ontleend aan Frans monter ‘de onderdelen van iets in elkaar zetten’ [1576; TLF], eerder al ‘bouwplannen voor een huis maken’ [ca. 1270; FEW], ‘(iets) op grotere hoogte plaatsen’ [ca. 1230; TLF], onovergankelijk ‘stijgen, hoger komen’ [ca. 1100; TLF], ‘een dier bestijgen’ [eind 10e eeuw; TLF] < Laatlatijn *montare ‘stijgen, beklimmen’ een afleiding van klassiek Latijn mōns (genitief montis) ‘berg’. Uit de betekenis ‘iets op grotere hoogte plaatsen’, dus ‘iets op iets anders plaatsen’ kon zich via ‘dingen op doordachte wijze op elkaar zetten’ de betekenis ontwikkelen ‘iets zodanig in of aan elkaar zetten dat het gewenste geheel ontstaat’. Ook kon uit de betekenis ‘uitrusten, van het nodige voorzien’ [ca. 1400; TLF] de betekenis ontstaan ‘iets op de vereiste wijze ergens aan bevestigen’.
Latijn mōns ‘berg’ < *mon-ti- is verwant met minae ‘uitsteeksels, kantelen’, e-minēre ‘uitsteken’ (zie → eminent), pro-minēre ‘id.’, en verder met: Oudnoords møna ‘omhoogsteken’; Avestisch mati- ‘vooruitspringend gedeelte, kaap’; Welsh mynydd ‘berg’, Cornish meneth ‘id.’, Bretons menez ‘id.’, Iers monadh ‘id.’; < pie. *mon-io- ‘uitsteeksel’ (IEW 726). Hierbij hoort ook de afleiding *mn-to- ‘kin, mond’, zie → mond.
Frans monter was al ontleend in het Middelnederlands als monteren, met de betekenis ‘te paard stijgen’ [1350; MNW], ook ‘in het zadel helpen’ en ook ‘wapenen, van ruiteruitrusting voorzien’ [1300-50; MNW]. Ook de betekenis ‘stijgen boven’ is in het Vroegnieuwnederlands ontleend, bijv. in niet monteerende boven de somma van ‘de somma van ... niet te boven gaand’ [1625; WNT Supp. appointement]. Beide betekenissen zijn in het begin van de Nieuwnederlandse periode verdwenen.
monteur zn. ‘technicus, mechanicien’. Nnl. monteur [1863; Kramers]. Ontleend aan Frans monteur ‘iemand die apparaten enz. in elkaar zet, technicus’ [1765; TLF], afleiding van monter ‘in elkaar zetten’, zie hierboven.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

monteren [in elkaar zetten] {1710, vgl. monte(e)ren [te paard (doen) stijgen] 1350} < frans monter [bestijgen, hoger plaatsen, van het nodige voorzien, inrichten, monteren], teruggaand op latijn mons (2e nv. montis) [berg] (vgl. montaan-, montee).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

montéren ww. ‘in orde brengen, in elkaar zetten’, mnl. montêren ‘te paard stijgen, op het paard helpen’ < fra. monter ‘omhooggaan; omhoogbrengen’ < vulg. lat. *montāre, gevormd van lat. mons ‘berg’. De huidige betekenissen gaan dus uit van ‘oprichten, opstellen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

monteeren ww. Uit fr. monter (< lat. * montâre; van mons “berg”). Mnl. montêren komt reeds voor, maar alleen in de bett. “te paard stijgen, te paard helpen”.

Thematische woordenboeken

P.H. van Laer (1949), Vreemde woorden in de natuurkunde, Groningen/Batavia.

Monteren (= Fr. monter = inrichten, in elkaar zetten; vulgair Lat. montáre = stijgen, beklimmen, inrichten; mons, gen. móntis = berg). In elkaar zetten (van toestellen).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

monteren in elkaar zetten 1608 [Van Meteren, Commentarien 28.152] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal