Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mom - (masker; voorwendsel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

mom zn. ‘masker; voorwendsel’
Misschien al onl. in de toenaam van Gerardus Mummo [1177; Debrabandere 2003]; mnl. mummen ‘gemaskerden’ [1477; Teuth.] (met daarnaast mommen ansicht ‘masker’, bemompt ‘gemaskerd’); vnnl. mommen ‘id.’ [1530; MNW], mom ‘masker’ [1620; iWNT]; nnl. meestal figuurlijk, als in Onder zulk een mom ‘onder zo'n voorwendsel’ [1710; iWNT], onder het mom der rhetorica [1841; WNT voet].
Afleiding van mnl. mommen ‘deelnemen aan een optocht of feest met gemaskerde personen’ [1389; MNW], ‘zich vermommen, zich verkleden, een masker voordoen’ [1436-1523; MNW], een woord dat veel eerder al verschijnt in de afleiding (een toenaam) mommaert ‘persoon met een masker of met een gezicht als een masker’ [1282; VMNW] en nog eerder als toenaam mommart [1247; GN]. Het is ontleend aan Oudfrans mommer ‘zich verkleden; deelnemen aan een gemaskerd feest’ [1262; Rey], dat vermoedelijk een klankexpressief woord is dat zou doen denken aan de gedempte klanken die gemaskerde personen uiten. In het Middelfrans was ook de afleiding mome, momme ‘optocht of feest met gemaskerde personen’ [1400; WNT] bekend, maar in het Nieuwfrans bestaat alleen nog de afleiding momerie ‘maskerade; schijnvertoning’.
mombakkes zn. ‘masker’. Vnnl. mommebackhuys ‘id.’ [1688; iWNT], mombackhuys [1690; iWNT]; nnl. mombakkes [1735; iWNT]. Samenstelling van mom en → bakkes ‘gezicht, mond’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mom [masker] {mom(me) 1477} waarschijnlijk < oudfrans momer [zich vermommen, een masker opzetten], vgl. spaans, portugees momo [grijns]; vermoedelijk ontstaan als kinderwoord.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mom znw. v. m. o. (masker), Teuth. mummen ‘larvales’, nhd. mumme v. ‘vermomming’, vgl. ook ne. mumm ‘vermommen’; daarnaast oudnl. mommerîe (15de eeuw) ‘vermomming, maskerade’ en mommen (eind 14de eeuw) ‘zich vermommen; aan een gemaskerd bal deelnemen’. — Herkomst uit het Romaans is waarschijnlijk, vgl. ofra. mome ‘masker’, nfra. zwits. momo ‘spook om kinderen te verschrikken’, spa. momo ‘grimas’, woorden die wel uit de kindertaal zullen stammen.

Bense 237 acht het mogelijk dat ne. mum ‘in een pantomime acteren’ (sedert 1530) uit het nl. ontleend is, vgl. ook mummer (sedert 1592) en mummery (sedert 1530).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

mom II (masker; oudnnl. ook “gemaskerde”), soms o. Teuth. mummen “larvales”, mom als synoniem van budde, spoick, schoeduvel, hailars. = nhd. mumme v. “vermomming”. Vgl. verder nog eng. to mumm “zich vermommen” en de afl. ndl. vermommen, nhd. vermummen (> de. formumme). Ofr. mome, momme komt in 1400 = “maskerade” voor. Dezelfde bet. heeft nu fr. momerie, een afl. van momer “maskerade spelen”. Sommigen houden deze woordfamilie voor oorspr. rom. en zoeken dan den oorsprong in de kindertaal, anderen gaan uit van de germ. bij mompelen, mummelen behandelde woordgroep. Beide onzeker.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

mom II (masker). In de 15e eeuw al mommerîe v. ‘vermomming; maskerade’, dat naar fr. momerie kan gevormd zijn, maar nog geen afdoend bewijs is voor ontlening van de ndl. woorden uit het Fr.: het ww. mommen ‘zich vermommen, aan een gemaskerd bal deelnemen’ komt reeds einde 14e eeuw voor. (Eng. to mumm misschien uit het Ndl.). De afl. vermommen sedert 1491 (vermommet).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

mom 1 v. (masker), + Hgd. mumme; vergel. voorts Eng. to mumm, Fr. momer, momerie: alle onomat., verwant met mommelen.

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1993), Eponiemenwoordenboek: Woorden die teruggaan op historische personen, Amsterdam

en mom, bier, waarschijnlijk naar de naam van de 15de-eeuwse brouwer, een zekere Chr. Mumme uit Brunswijk.
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

mom ‘masker’ -> Duits dialect Mumm ‘gemaskerde boeteling op Goede Vrijdag in Aachen, gemaskeerde persoon op vastenavond’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mom masker 1477 [Teuth.] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1485. Het masker (of de mom) afwerpen,

d.w.z. zich plotseling van zijne vermomming ontdoen; ophouden met veinzen, zijne ware gezindheid of zijne ware bedoelingen laten blijken (Ndl. Wdb. I, 1859; IX, 281); iemand het masker afrukken, aflichten, aftrekken (17de eeuw), zijne veinzerij ten toon stellen, aan de kaak stellen, hem ontmaskeren; lat. personam capiti detrahere alicujus (Otto, 274); ook iemand de grijns afrukken, aflichten (Sewel, 302); de huif (hoofddeksel, kap) aflichten; zie Ndl. Wdb. V, 727; Mnl. Wdb. III, 773 en De Cock1, 154. Vgl. fr. jeter, déposer le masque; ôter, arracher le masque à qqn; démasquer qqn; hd. einem die Maske, die Larve abreiszen, abziehen; eng. to unmask a.p.; to throw off the mask.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal