Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mijt - (zorgvuldig opgestapelde hoop hooi, stro)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mijt3 [zorgvuldig opgestapelde hoop hooi, stro] {mite 1428} net als nederduits mite < latijn meta [kegel, houtstapel, hooimijt].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

mijt

Het woord mijt komt voor in drie betekenissen, die op het oog niets met elkaar te maken hebben. Er is mijt: stapel hooi, mijt: klein muntje en mijt: insect. Het laatste woord is afgeleid van het Latijnse werkwoord insecare: een snee in iets maken en betekent: knager, boorder. Dit is een goede naam voor de parasiet die in kaas zulke verwoestingen kan aanrichten. Het woordje mijt voor: muntje is geheel verouderd. Een mijt had vroeger de waarde van 1/24 groot en een groot is een halve stuiver. Een mijt is dus een onaanzienlijk bedragje en daaruit is te verklaren, dat het de naam kreeg van het kleine insect. Geen mijt betekent dan: geen zier. Een zier nu is precies hetzelfde als een mijt. Ook dit woord beduidt namelijk: insect (Frans ciron).

Mijt voor stapel hooi of hout tenslotte is van een geheel andere familie. Het is een afleiding van het Latijnse woord meta dat: kegel, zuil betekent.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mijt 3 znw. v. ‘hooi- of houtstapel’, mnl. mîte, Teuth. mijte, nnd. mīte is reeds voor 500 overgenomen < rom. mēta met overgang van ê > î (Th. Frings Germ. Rom. 1932, 185-186 en ZfromPh. 59. 1939. 282).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

mijt III (stapel hooi of hout), mnl. mîte v. Evenals Teuth. mijte, ndd. mîte “mijt” uit lat. mêta in de bet. “hooimijť’ ontleend, dat in andere bet. veel later als meet is overgenomen. Niettegenstaande het eerst uit ’t laat-Mnl. bekend is, moet mijt wegens de ij een oudere ontl. zijn; vgl. krijt I, pijn I.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

mijt 3 v. (stapel), Mnl. mite, uit Lat. metam (-a) = zuil: z. meet.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

mied s.nw., ww. Ook miet.
Gepakte hoop graangerwe of enige groot opgestapelde hoop plantmateriaal soos hooi of veevoer, of in so 'n hoop pak.
As s.nw. uit gewestelike Ndl. miet 'hooi- of houtstapel'. Die ww. het in Afr. self ontwikkel. Die Ndl. gewestelike vorm miet kom naas Ndl. mijt (Mnl. mite) voor. Eerste optekening in vroeë Afr. as s.nw. op 8 Januarie 1693 in die aanhaling "in mijten staande, of bereids gedorscht hadden" (Resolusies van die Politieke Raad, C.21), waarna in Afr. by Pannevis (1880) in die vorm mied.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

mied: – miet – , “hooistapel”; Ndl. mijt, dial. miet/meet (Mnl. mite) uit Lat. meta, “hooimied”, verb. m. meet II, ook uit Lat. meta, word verkl. d. keëlvormigheid v. wedrenteken en hooimied; by vRieb mijten; ongedift. i(e) in Afr., vgl. o.a. spie, stiebeuel, stiegriem.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

mijt ‘hooimijt’ (Latijn meta)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mijt zorgvuldig opgestapelde hoop hooi of stro 1428 [MNW] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal