Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mijnheer - ((aanspreektitel voor een) man)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

meneer zn. ‘(aanspreektitel voor een) man’
Mnl. mijn here in mijn her berthoude ‘mijn heer Bertoud’ [1271-72; VMNW], bi mijn here diedrike ‘bij mijn heer Diederik’ [1291; CG I], mijnheer Melancolie ‘meneer Melancholie (in een allegorie)’ [1350-1400; MNW-R], men heer Everaerde ‘ridder Everhart’ [1432; MNW-R]; vnnl. menheer van Strale [1566; WNT voorzegging I], Dat menheeren voernoempt ‘dat de voornoemde heren’ [1567; WNT poortrecht]; nnl. Ik heb de eer niet, van Meneer parteklier te kennen ‘... deze heer van nabij te kennen’ [1840; WNT particulier], twintig Meneeren [1844; WNT zoo I], 't laatje van Meneer Verklat [1855; WNT lade], ten slotte ook als soortnaam een meneer [1896; iWNT verhooging].
Samenstelling van → mijn 1 en → heer 1 ‘man’, gebruikt als titel van de landsheer of een andere aanzienlijke man.
De combinatie werd al in de 13e eeuw min of meer als eenheid beschouwd, getuige de onverbogen vorm mijn in de datief in de attestatie uit 1291, in plaats van bi minen here. Daarna kon de onbetoonde eerste lettergreep verzwakken tot sjwa, zoals al blijkt uit de laat-Middelnederlandse spelling men heer. In formele aanspreektitels is sindsdien mijnheer lange tijd de gewone geschreven vorm gebleven; als algemene aanduiding voor ‘(aanzienlijke) man, heer’ kwam in de 19e eeuw de spelling meneer in gebruik.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mijnheer* [titel voor een man] {mijnhere [titel voor iem. met autoriteit] 1289} van mijn1 + heer1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

mijnheer znw., mnl. mijnhêre m., vooral van een landsheer of andere hooge personen.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

mijnheer (vert. van Oudfrans mes sire)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

mijnheer ‘titel voor een man’ -> Engels mynheer ‘aanspreektitel voor een man; Nederlander; Afrikaander’ <via Afrikaans>; Duits Mijnheer ‘Nederlandse aanspreektitel; (schertsend) Nederlander’; Deens mijnheer, mynheer ‘titel voor een man; (schertsend) Nederlander’; Noors mynheer, mijnheer ‘mijn heer, heer’; Frans dialect minîr (on gros mèn'hêr; on pôve mèn'hêr) ‘welgesteld burger (een belangrijke heer; een stakker)’; Sloveens mynheer ‘titel voor een man’; Amerikaans-Engels mynheer ‘Hollander’.

N. van der Sijs (2009), Yankees, cookies en dollars, Amsterdam

Amerikaans-Engels mynheer, beleefde aanspreekvorm van een Nederlander (Craigie, Webster).
- Van Nederlands mijnheer, vroeger ook gespeld als mynheer; overgenomen in de zeventiende eeuw en nog bekend.
* Ook in het Brits-Engels is mynheer bekend, maar de ontlening is zeker onafhankelijk van die in het Amerikaans-Engels gegaan; in het Brits-Engels wordt mynheer ook gebruikt om een Afrikaner mee aan te spreken (dus geleend uit het Afrikaans), en bovendien geldt de aanspreekvorm er dikwijls als grappig of ironisch, aldus de OED; zo was in 1868 te lezen: ‘Er is een modern bekend liedje dat begint met: “Mynheer Van Dunk, Though he never got drunk.”’
Voor het Amerikaans-Engels vermeldt Craigie twee betekenissen. Ten eerste ‘een Nederlander’, ook ‘algemene naam voor Nederlanders’. De oorspronkelijke Nederlandse bevolking van Nieuw-Amsterdam wordt wel aangeduid met the mynheers: ‘the mynheers of Nieuw Amsterdam’. Kennelijk speelden vrouwen in die maatschappij geen rol van betekenis (maar zie ook frow). Ook werd mynheer wel gebruikt als men de Duitsers in Pennsylvania bedoelde, de zogenoemde Pennsylvania Dutch - waarin het oorspronkelijke Deutsch is vervangen door het gelijkluidende Dutch, hoewel de moedertaal van deze bevolkingsgroep Duits is en niet Nederlands.
1701 Frederick Philips the richest Miin Heer in that place ... was said to have whole Hogsheads of Indian Money or Wampam.
1882 The portly ‘mynheers’ turned out their cows to graze.
1890 It gave the good mynheers inexhaustible food for reflection.
Het woord mynheer wordt ook gebruikt voor sfeertekening in Amerikaanse literaire werken, uiteraard door de onvermijdelijke Diedrich Knickerbocker in 1809 (‘And they all with one voice assented to this interpretation excepting Mynheer Ten Broeck’), maar ook in bijvoorbeeld Hans Brinker or The Silver Skates van Mary Mapes Dodge uit 1865. Deze schrijfster geeft in de marge telkens een verklaring van de Nederlandse woorden die zij in het boek gebruikt, maar voor het woord mynheer laat zij dat achterwege; klaarblijkelijk is dit woord zo algemeen bekend dat uitleg overbodig is. Al helemaal in het begin van het boek schrijft zij: ‘Most of the good Hollanders were enjoying a placid morning nap. Even Mynheer von Stoppelnoze, that worthy old Dutchman, was still slumbering “in beautiful repose”.’

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mijnheer* titel voor een man 1289 [CG I2, 1359]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal