Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

miezerig - (nietig)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

miezerig* [regenachtig, nietig] {1784-1785 als ‘nietig, onwelvarend’; de betekenis ‘regenachtig’ 1897} afgeleid van miezelen [zachtjes regenen]; in de tweede betekenis heeft vermoedelijk latijn miser [armzalig] invloed uitgeoefend.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

miezerig bnw. (noordholl.) ‘regenachtig’ staat naast miezelig, een afl. van dial. miezelen, mijzelen, mizzelen (Kiliaen ‘Fris. Holl.’), nhd. miseln. — Het woord is alleen bekend op een deel van het continentale west-germ. en schijnt een spontane bijvorm van miegen te zijn. — Zie ook: mist.

Minder waarschijnlijk is de verbinding met de idg. wt. *meis ‘flonkeren, blinken; nevel, wolk; bedriegen’, vgl. oi. miṣati ‘de ogen opslaan’, miṣa- ‘bedrog’, osl. mĭšelŭ ‘turpis quaestus’ (IEW 714). — Verder is er nog zuidnl. miezer, miezerig ‘ziekelijk, zwak, teer, bedrukt’, wel naar het voorbeeld van lat. miser. Trouwens ook de noordholl. vorm miezerig voor miezelen kan beïnvloed zijn door een woord als miserabel, maar in iteratieven wisselen de uitgangen -elen en -eren wel meer. — Het ww. miezelen > ne. mizzle als ww. sedert 1483, als znw. sinds 1490 (Bense 226 overweegt de mogelijkheid van deze ontlening).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

miezerig bnw., dial. (Zaansch) nog in de oudere bet. “regenachtig”. = miezelig, een afl. van dial. miezelen (mijzelen, mizzelen) met ie uit germ. î “zacht regenen”, volgens Kil. “Fris. Holl. j. misten”) zie mist. Ook ndd. mîseln. Het zuidndl. dial. miezer, miezerig “ziekelijk, zwak, teer, bedrukt” is wsch. het ontleende lat. miser: in alg.-ndl. miezerig kunnen de twee woorden samengevallen zijn.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

miezerig bijv.,. = regenachtig, bij miezelen 2; 2. = ongez., triest, uit Lat. miser.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

miezerig* nietig 1784-1785 [WNT]

miezerig* regenachtig 1897 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal