Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

metgezel - (reisgenoot)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

gezel zn. ‘kameraad; handwerksman’
Onl. gesello ‘metgezel’ in the herdnisse thinere gesellon ‘de kudde van jouw metgezellen’ [ca. 1100; Will.]; mnl. gheselle ‘kameraad, collega, makker’ [1220-40; CG II, Aiol], specifieker ‘handwerksman’ in men verbide sinen gheselle te werkene met heme ‘men verbiede zijn gezel met hem (= een te straffen wever) te werken’ [1272; CG I, 185].
Afleiding met het voorvoegsel → ge- (sub c) van een zn. dat in het Nederlands heeft geleid tot → zaal.
Mnd. geselle (> nzw. gesäll); ohd. gisello ‘huisgenoot, vriend’ (nhd. Geselle); met umlaut en geminatie < pgm. *ga-sal-ja-. Zonder voorvoegsel mnd. selle (> nzw. sälle).
De oorspr. betekenis moet dus ongeveer zijn geweest ‘huisgenoot, hij die met de anderen onder een dak verblijft’, maar in deze vroege betekenis is het woord in het Nederlands niet meer aangetroffen. Bekend is het woord vooral m.b.t. de driedeling uit de middeleeuwse gildentijd: meester (de ondernemer), gezel (de vrije werkman), leerling (gebonden door een leercontract voor een gespecificeerd aantal jaren). Deze betekenis van gezel is wrsch. overgenomen uit het Duits. In het Middelnederlands was het gewone woord hiervoor cnape (zie → knaap) en pas in het Nieuwnederlands kwam gezel als historische term meer in gebruik. De gewone Middelnederlandse betekenis van gezel ‘makker, kameraad’ is overgegaan op de samenstelling metgezel.
vrijgezel zn. ‘ongehuwde volwassen man’. Vnnl. vry geselle ‘id.’ [1604; WNT vrij], vry gesel [1655; WNT gezel]; nnl. in de Vrygezellen dezer Stad [1748; WNT]. Samenstelling met → vrij. Eerder vindt men in deze betekenis wel andere combinaties met gezel: soo wat kinderen ofte jonge gesellen [1437; MNW wercdach], jonge gesellen ende meyskens [1569; WNT], eenloopig gheselle ‘alleenstaande, vrijgezel’ [1599; Kil.]. Ook voorkomend als bn.: een vrijgezelle oom.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

metgezel* [reisgenoot] {medegeselle 1245-1296, medgheselle 1599, metgesel 1637} tautologische samenstelling van mede3, respectievelijk met4 + gezel.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

met 2 o. (spijs, bep. gehakt vleesch), + Ndd. id. een afleid. van *mat = spijs (z. maat 2). Hierbij metworst, en, met de oorspr. bet., metgezel, wat dan een ander w. is dan medegezel.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

metgezel* reisgenoot 1477 [Teuth.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal