Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

meter - (maat)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

meter 1 zn. ‘standaardeenheid van lengte’
Nnl. meeter, meter in ... den naam van Mètre hebben gegeeven, welken wy in onze taal door het woord Meeter overbrengen [1802; WNT].
Ontleend aan Frans mètre ‘eenheid van lengte, basis van het metrieke stelsel’ [1791; TLF], dat zelf een geleerde ontlening is aan Grieks métron ‘maat, instrument om te meten’.
Grieks métron is verwant met: Latijn mētīrī ‘meten’ (afleiding van *mēti ‘maat’ < pie. *méh1-ti-); Sanskrit mímīte ‘hij meet af’; Oudkerkslavisch měra ‘maat’; Tochaars A me-, Tochaars B mai- ‘meten’; en misschien ook Oudkerkslavisch sŭ-měti ‘durven’; < pie. *meh1-, *mh1- ‘(af)meten’ (LIV 424). Zie ook → meten en → maal 1.
De naam mètre werd op 26 april 1791 officieel goedgekeurd door de Assemblée Nationale, de volksvertegenwoordiging van de Franse republiek. Zij had de Franse Academie van Wetenschappen verzocht een stelsel van maten en gewichten te ontwerpen gebaseerd op een decimaal matenstelsel dat in 1670 was voorgesteld door de Franse geestelijke Gabriel Mouton.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

meter1 [maat] {1802} < frans mètre, in 1791 op gezag van de Franse Nationale Vergadering gevormd van grieks metron [maatstaf, maat].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

meter 2 znw. m. ‘maatnaam’ < fra. mètre < lat. metrum < gr. métron.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

meter II (maat). Nnl. uit fr. mètre (< lat. metrum, gr. métron.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

meter 2 m. (die meet), afgel. van meten.

meter 3 m. (maat), uit Fr. mètre van Gr.-Lat. métron = maat, van denz. wortel als Lat. mētiri en Skr. māti = maat: Idg. wrt. met, verwant en synon. met Idg. wrt. med: z. meten.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

meter (Frans mètre)

P.H. van Laer (1949), Vreemde woorden in de natuurkunde, Groningen/Batavia.

Meter (Lat. métrum = Gr. μέτρον (métron) = maat; μετρεῖν (metrein) = meten). Eenheid van lengte.

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

meter. - In de volgende aanhalingen is dit zelfstandig nw. gebruikt in eene beteekenis die het niet heeft. Er wordt vereischt metrum. De fout is ontstaan, doordien fr. mètre zoowel metrum als meter beteekent. || Lang reeds hadden de Duitschers kunstgewrochten in dien meter voortgebracht, MERCELIS, K. Harp 153. Men zal wellicht hebben opgemerkt dat het stuk “Ave Maria” in eene vóór mij ongebruikte maat is gedicht. De voeten zijn wel aan de ouden ontleend, maar hunne schakering is nog (sic) saffisch, noch alcaïsch, noch wat ook; deze is geheel van mij herkomstig. Ziehier den meter (volgen twee schema’s), DE MONT, Waerh. en Lev. 200. Het korte … vers vervangt den ouden meter enz., HAERYNCK, Boendale 11.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

meter ‘eenheid van lengte, 100 centimeter; apparaat, toestel dat meet’ -> Indonesisch méter ‘eenheid van lengte, 100 centimeter; apparaat, toestel dat meet’; Boeginees mêteræ ‘eenheid van lengte, 100 centimeter’; Gimán meter ‘eenheid van lengte, 100 centimeter; meetinstrument’; Jakartaans-Maleis mèter ‘eenheid van lengte, 100 centimeter’; Javaans mèter ‘eenheid van lengte, 100 centimeter’; Keiëes meter ‘eenheid van lengte, 100 centimeter; meetwerktuig’; Kupang-Maleis meter; mister ‘eenheid van lengte, 100 centimeter; iemand die meet, timmerman; liniaal’; Madoerees metēr ‘eenheid van lengte, 100 centimeter’; Makassaars mêteré ‘el, eenheid van lengte, 100 centimeter’; Menadonees méter ‘eenheid van lengte, 100 centimeter’; Muna mitere ‘eenheid van lengte, 100 centimeter’; Creools-Portugees (Ceylon) meiter ‘iemand die meet’; Japans mētoru ‘eenheid van lengte, 100 centimeter’; Papiaments meter ‘eenheid van lengte, 100 centimeter’; Sranantongo meiter ‘eenheid van lengte, 100 centimeter’; Aucaans meiti ‘eenheid van lengte, 100 centimeter’; Surinaams-Javaans mèter ‘eenheid van lengte, 100 centimeter’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

millimeter, centimeter, meter, kilometer [lengtematen] (1809). In 1809 wordt het metrieke stelsel in Nederland ingevoerd. Dit stelsel leidt tot een reeks nieuwe benamingen voor lengtematen, die oude namen als roede, voet, duim en el vervingen. Het metrieke stelsel werd weer afgeschaft in 1813 en heringevoerd in 1821. In 1869 wordt het definitief bij wet aangenomen.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

meter 100 centimeter 1802 [WNT] <Frans

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

meter: voor geen —, helemaal niet. Informele uitdrukking.

Want echt zingen kon Smith nog altijd voor geen meter. (Oor, 26/03/88)
Ik geloof Groen natuurlijk voor geen meter. (Joost Zwagerman: Gimmick, 1989)
... voor zijn dood verkochten zijn platen voor geen meter... (Het Parool, 01/02/92)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal