Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

met - (voorzetsel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

met 1 vz. ‘in gezelschap van, door middel van’
Onl. miþ ‘met’ [551-750; ONW], mit [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. met in diverse betekenissen: wouter metten bene ‘Wouter met het been’ [1212-23; VMNW], met sinen lettren ‘door middel van zijn oorkonde’ [1236; CG I], die met den lazers euele besmettet sin ‘die met melaatsheid besmet zijn’ [1236; VMNW].
Het voorzetsel met heeft zich ontwikkeld uit het bijwoord dat tot nnl. mede (zie → mee) heeft geleid. In de West-Germaanse talen bestond de neiging om voor de bijwoorden de volle vorm te behouden, terwijl de daaruit ontwikkelde voorzetsels, die minder klemtoon droegen, verzwakten; in dit geval door wegval van de slot-e. Zie bijv. ook het bijwoord → toe naast het voorzetsel → te 1.
Lit.: G. Schmidt (1962), Studien zum germanischen Adverb, Berlin, 214

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

met4* [voorzetsel] {oudnederlands mit 901-1000, middelnederlands met} oudsaksisch, oudengels mid, oudhoogduits mit, oudfries mith, oudnoors með, gotisch miþ; buiten het germ. grieks meta.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

met voorz., dial. ook mit, mnl. met, mit, os. mid, med, mith, ohd. mit, ofri. mith, oe. mid, mið, on. með, got. miþ, mid. — Als grondvormen kan men opstellen zowel idg. *medhi als *meti (IEW 702). Wat de laatste betreft staat daarnaast *meta in gr. metá ‘met, tussen, na’, av. mat ‘met’, oi. smát ‘samen met’. — Zie verder nog: middag.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

mede II, mee bijw., mnl. mēde. = ohd. miti “mede”, os. midi “mede, met”, met gramm. wechsel ofri. mithi “id.”. Hiernaast ndl. met, dial. mit, mnl. met, mit, ohd. (nhd.) mit, os. mid, med, mith, ofri. mith, ags. mid, mið, on. með, got. miþ, mid “met, mede”. De scheiding tusschen met voorz. en mede, mee bijw. is in veel ndl. diall. niet evenals in de beschaafde taal doorgevoerd. Buiten ’t Germ. vgl. gr. metá “met”; niet av. maţ “id.” (niet van oi. smát te scheiden). Verwant met idg. *me-t- is idg. *me-dhi, waarvan *medhjo-: zie middag.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

met 1 voorz., Mnl.id., Os. mid + Ohd. mit (Mhd. en Nhd. id.), Ags. mid (Eng. mid in midwife), Ofri. mith, On. med (Zw. en De. med), Go. miþ: z. mede 3.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

mèt 1. (vz.) met 2. (bijw.) mee Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) met, Aajdnederlands mit <551-750>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

bet, bit, vz.: met. Door wisseling van de bilabialen m/b.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

bét, bit, met (Limburg). = nl. met. Overgang van mb is tamelijk zeldzaam, maar komt bvb. ook voor in besniete ↑.
Grootaers/Grauls 45, Weijnen 1991, 146, WLD II afl. III 125.

mit met (Groningen, Zuidwest-Drente, Veluwe, Utrecht, Holland, Noord-Zeeland, Walcheren, Limburg). = mnl. mit, os. mið, ohgd. mit, ofri. mith, oeng. mið, got. mith. De i is te verklaren uit de veronderstelling dat oorspronkelijk op de dentaal een i volgde, in tegenstelling tot gr. metá ‘met’
Mat. Kern., mat. Willems, IEW 702.

Thematische woordenboeken

J. van de Kamp en J. van der Wijk (2006), Koosjer Nederlands: Joodse woorden in de Nederlandse taal, Amsterdam; inclusief ongepubliceerde aanvullingen door de auteurs

mit: met | < Jidd. < Mhd.
of Amsterdams (vgl. ‘ik bin’)?

— En “De Troubadour”... noh ja, Leonore mit al de kore: ...Dat was rechvaardig, ’t monster waardig... (IS. QUERIDO, 1931)
— Door áls hierop te ture, zie ik alles wat er gebeure gaant mit de mense... mit alle mense hoor u?... (IS. QUERIDO, 1932)

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

[verkeerd gebruik van een voorzetsel o.i.v. het Frans]
Absolute bepalingen in plaats van bepalingen ingeleid door MET. – Er zijn in het Fransch allerlei bepalingen van wijze, van middel, van omstandigheid die absoluut gesteld zijn, zoo b.v. les larmes aux yeux; tambour battant et enseignes déployées; lire la plume à la main; il s’avançait vers moi à pas pressés, le visage joyeux, son chapeau à la main enz. In het Nederlandsch gebruikt men in dergelijke gevallen bepalingen ingeleid door met, en aan de zooeven aangehaalde Fransche voorbeelden beantwoordt in onze taal: met tranen in de oogen; met vliegende vaandels en slaande trom; met de pen in de hand; hij kwam haastig naar me toe, met een blij gezicht, met zijn hoed in zijn hand. Tegen dit vereischte van ons taaleigen wordt in de Zuidnederlandsche boekentaal vaak gezondigd, doordien het Fransche taalgebruik nagevolgd wordt. || Kindermeiden …, die in het prachtige nationaal kostuum gekleed zijn, heel in het rood met een overvloed van gouden of zilveren passement en een diadeem op het hoofd, aan eene vorstenkroon gelijkende, ROOSES, Op Reis 201 (er wordt vereischt met een diadeem op het hoofd). Roerloos en bleek, ’t gelaat als van marmer, haar oogen in de zijne, doorstond ze zijn aanblik, BUYSSE, Mea Culpa 49 (er wordt vereischt met een gelaat als marmer). Zelfs de vreemde … reizigers interesseerden zich voor ’t schouwspel, een spotlach op de lippen, 74 (hier met een spotlach). Mijnheer Boudin had alle tegenwoordigheid van geest verloren, verbluft rondloopend in het midden der proestende toeristen, zijn hoed in de hand, Ald. De twee dames … ontwaarden … het goedig gezicht van den ouden Thijs, die, zijn bonte muts in de licht sidderende hand, haar … herhaaldelijk welkom heette, BUYSSE, Op ’t Blauwh. 1. Haar broeder … (had), ondanks den fellen wind eerbiedig zijn blonde krullekop ontbloot …, het mager gezicht bleek en ernstig, 20 (in de werken van BUYSSE vooral zijn talrijke voorbeelden te vinden).
– Hier kan ook vermeld worden zinnen als wij weten een heel troepje enz., naar fr. nous étions toute une troupe, terwijl in het Nederlandsch vereischt wordt met een heel troepje, met een heelen hoop enz. || Met hun drieën maakten zij een rumoer en toonden zij eenen strijdlust als waren zij een geheel leger, ROOSES, N. Schetsenb. 300. Een talrijke menigte waren zij; eerst de jongsten en kleinsten, dan trapswijs (sic) de grooteren, de ouderen, flinke jonge mannen reeds, BUYSSE in De Gids 1894, III, 7. Wij hebben voor morgennamiddag een uitstapje naar het kasteel van Lauwegem belegd. Wij zullen een heel troepje zijn (er volgt een opsomming van allerlei namen), BUYSSE, Mea Culpa 2.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

met ‘voorzetsel’ -> Negerhollands met, mi, mit, mee ‘voorzetsel’; Berbice-Nederlands mete ‘voorzetsel’; Skepi-Nederlands met ‘voorzetsel’.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

me-2 als Grundlage von Adverbien (Präpositionen) ‘mitten in, mitten hinein’

A. me-dhi (auch Grundform me-ti möglich) in got. miþ ‘mit’, asäch. mid(i), ags. mið, aisl. með(e), ahd. mit(i), usw.; vgl. unten S. 706 f.
B. me-ta in gr. μετά (Ausgang wie in κατά, oben S. 613), alb. mjet ‘Mittel’, illyr. Met-aurus ‘Mittelfluß’ (Brutt., Umbr.), ligur. Os Metapīnum (Rhônemündung) ‘zwischen den Wassern’; vgl. illyr. Lokativ Metu-barbis ‘zwischen Sümpfen’ (in der Save); in Ätolien VN Μετάπιοι (hellenisiert Μεσσάπιοι) usw., aisl. með(r) ‘mit, zwischen’, got. miþ, ags. mið, ahd. mit(i).
C. me-g̑hri-(s) in arm. merj ‘bei’ (der Auslaut erhalten in merjenam ‘nähere mich’) = gr. μέχρι(ς) ‘bis’; enthält den Lokativ des Wortes für ‘Hand’ (s. oben S. 447); Schwundstufe idg.*m̥-g̑hri-(s) in gr. ἄχρι(ς) ds.
D. Unklar sind gr. arkad. μέστε, kret. kyren. μέστα ‘bis’, hom. μέσφα, thess. μέσποδι usw.

WP. II 236, Schwyzer Gr. Gr. 1, 629 f., 840; 2, 481 ff., 549 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal