Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mesjogge - (gek, krankzinnig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

mesjogge, mesjokke bn. (NN) ‘gek, krankzinnig’
Nnl. (Bargoens) mesjogge, mesjoege, mesjoche, mesjokke ‘gek, mal, krankzinnig’ in bennen de menschen toch soms erg meschugge [1881; WNT Aanv.], hij 's mesjoege, laat 'm maar zitte tot ie 'n ons weegt [1903; WNT taai I], je bent mesjogge! [1912; Volk], ‘dol, verliefd’ ik was echt mesjogge op Chris [1912; WNT Aanv.].
Ontleend aan Jiddisch mesjogge ‘gek’, uit Hebreeuws məšūggāʿ ‘razend, gek’.
Zo ook nhd. meschugge.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mesjogge, mesjoche [barg.: gek] {mesjoche 1906} < jiddisch mesjogge < hebreeuws məšuggāʽ [krankzinnig].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mesjokke bnw., barg, ook mesjoche, mesjoege ‘gek’, evenals nhd. meschugge < hebr. měschugga, deelw. van schāgig ‘heen en weer wankelen, dwalen’.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

besjochte, besjokke, besjoegeld, bn.: mesjogge, gek, dwaas. Met wisseling van de bilabialen m/b uit Bargoens mesjogge < Jiddisch mesjogge < Hebr. məšuggâ ‘krankzinnig’. Hieruit ook Ndl. sjoeg.

Thematische woordenboeken

E. Sanders (2009), Van Dale Modern Bargoens woordenboek, Utrecht

mesjogge gek, zot, dwaas. In 1897 voor het eerst aangetroffen, in een literaire tekst. In 1906 voor het eerst opgenomen in een Bargoense woordenlijst, De Boeventaal van Köster Henke. Köster Henke vermeldt het als besjoche, bezokke, mesjoche, mesjoege, mesokke en mezokke voor ‘gek’ en ‘suf’. Daarnaast is het elders in nog allerlei andere vormvarianten aangetroffen. Als voorbeeldzin geeft Köster Henke: ‘Schele Mie heeft zich ook mesokke gehouden.’ Via het Jiddische mesjoege ontleend aan het Hebreeuwse mesjoega, beide voor ‘gek, krankzinnig’.
Mesjogge is in allerlei samenstellingen en afleidingen te vinden, waaronder stapelmesjogge (‘knettergek’, ook ‘verkikkerd, verliefd’), mesjoggene (‘krankzinnige’), mesjoggaas (‘onzin, dwaasheid, overdrijving’), enzovoort.
In een straatlied uit de Eerste Wereldoorlog, toen in het neutrale Nederland het voedsel op de bon ging, komen de volgende regels voor:
Vier ons brood, een ons rijst, een half ons gort, / Waar je op de duur mesjokke van wordt. / U moet waarlijk niet vergeten, / Dat je bijna enkel rijst en gort moet eten; / Maar de Zondag, ja dat is de groote dag, / Dat je eindlijk weer een pieper eten mag.
— ‘Vertrouwe?... Vertrouwe?... As ’k vroeger niet zoo mesjogge was geweest had ’k ja mezomme, had ’k ja cente op de bank.’ ¶ Herman Heijermans, Sabbath (1897), p. 35
— Kijk daar ’s! Die binne meschjogge geworden! Die vieren kerremis op ’t land! ¶ Frans Hulleman, ‘De Jordaan-jurist’, in: Nederland jrg. 77 (1925), p. 968
— Nou toe begon-ie ineens mit me over je Betsy te sjmoeze. Hij het me verteld dat-ie ’r hier in Amsterdam ’s gezien het en ik geloof dat-ie stapel-mesjogge mit ’r is. ¶ Jules de Vries, Ghijn en onghijn (1906), p. 6

J. van de Kamp en J. van der Wijk (2006), Koosjer Nederlands: Joodse woorden in de Nederlandse taal, Amsterdam; inclusief ongepubliceerde aanvullingen door de auteurs

mesjogge [mesjoch’che, mesjog’ge, mesjok’ke] (mv.: attributief: -ne), besjoche, besjokke, mechogge, meschogge, meschoghe, mesijoege, mesjoche, mesjoche, mesjoege, mesjoghe, mesjokke, mesokke, mezokke: dol, gek, zot, dwaas; (versterking) stapelmesjogge; mesjoggene: krankzinnige (vr. mesjoggaante, mesjoggeente, mesjoggeeste); de 11 of de 3 (wrschl. vanwege paviljoen Drie) in het kienspel (ook: mesjoegaremnummer); besjoechen: verliefd (op); mesjoggaas (mesjoekaas): onzin, dwaasheid, overdrijving. Zie ook: besjoegelen, mesjokaam, sjoeg, sjtos | < Jidd. mesjoege < hebr. mesjoeggo (mesjoegga), deelw. van de poeal (intens.pass.) van het ww. sjiegga: gek maken, verwarren ■ mesjogge is troef (< mesjogge-metoref: mesjogge + verward): (dit is) allemaal knetter

— “Verschwarzte Nar! Bij de veertig en nòg mesjogge!”, schold moeder: “late ze d’r eerst warrem bij doen in d’r besijn!... Mesjoegaas in kòd water!... De broer van je vader is ook gestorreve toen-die met geweld wou roeie... Jehoediem motte niet op ’t water gaan... Wat ka-je mazzel zijn?...” (HERM. HEIJERMANS, 1903)
— ’n Joodse man, die in de laatste tijd door crisis-zorgen erg nerveus was, gaat naar de dokter. Als hij terugkomt en z’n vrouw hem angstig vraagt: “Nou, wat heeft-ie gezegd?” antwoordt hij: “Hij heeft gezegd, ik ben mesjogge.” - “Jij mesjogge?” - Ze wijst met de vinger naar haar voorhoofd en zegt: “Je bent mesjógge!” (JUL. LEYDESDORFF, 1938)
— Herman vertelt dat hij er veel voor voelt om naar het buitenland te gaan. Hij vindt de Hollanders bekrompen en kleingeestig. Josef protesteert daartegen. “Mesjoggaas, zeg ik. Waar een mens zijn stukkie brood verdient, daar is het goed.” (BERNARD VERDUIN, 1947)
— Kleine Moos, die zit te lezen, vraagt zijn vader: ‘Wat is een kolibri?’ ‘Een kolibri? Da’s een mesjokkene vis.’ Moos, even later: ‘Een vis, dat kan niet, vader, want hier staat: ‘Hij vliegt van bloem tot bloem op zoek naar honing.’ ‘Ik heb je toch gezegd dat het een mesjókkene vis is?’ (MAURITS DEKKER, 1962)
— Mijn vriendin Rose die in Amerika woont, zei altijd: ‘Die mesjoggaas van dat kuren is iets van deze tijd. Lette men vroeger op de lijn? Mag men dieet houden als men niet ziek is?’ (BECCY DE VRIES & ESTHER WERTHEIM, 1974)
— ‘Vegetarisch eten is nog niet mesjogge genoeg, hij moet rauwkost hebben! Katholieker dan de paus! Daar komt nooit iets goeds van terecht! Longen hebben vet nodig!’ Ze kreeg nog gelijk ook. Mijn oom kreeg tuberculose en belandde in een sanatorium. ‘Heb ik het niet gezegd! Dat komt van z’n mesjochaas!’ (CLARISSA JACOBI, 1977)
— Hij wilde haar trouwen. Daar stond Miena paf van. Ze zei een van haar wijze woorden... ‘Ben je daarvoor zo geleerd, Simon, om helemaal gek te worden? Mesjokke is troef bij je. Ik ben geen vrouw om te trouwen en als je ’t mij vraagt, jij bent geen vent om te trouwen. (SIEGFRIED E. VAN PRAAG, 1976)
— ‘Dat mesjoggene zingen van je! Wat moet je ermee! Een kunst dat je pleegmoeder het niet goed vindt! Dat is toch geen beroep voor een vrouw!’ (HANNELORE WOLF, 1995)

Zie ook hoteldebotel, narrisj, sjoeg, sjoute, temmisj, tippisj, tostes

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

mesjoche (Jiddisch mesjogge)
mesjogge (Jiddisch mesjogge)

H. Beem (1975), Resten van een taal: woordenboekje van het Nederlandse Jiddisch, Assen

mesjogge, mesjoche, mesjoege, mesjokke, mesokke dwaas, krankzinnig; hebr. part. perf. mesjoega’ idem; mesjoche, mesjoege, mesjokke, mesokke: ndl. volkstaal; verbasteringen van mesjogge.

mesjogge un metorref stapelgek; hebr. part. perf. metoraf, verward, gek.

H. Beem (1974), Uit Mokum en de mediene: Joodse woorden in Nederlandse omgeving, Assen

besjokke zie mesjokke.

mesjoche, mesjoege, mesjokke, mesokke vervormingen van mesjogge z.a.

mesjogge < jidd. dwaas, krankzinnig.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mesjogge Bargoens: gek 1903 [Aanv WNT] <Jiddisch

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal