Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

merrie - (vrouwelijk paard)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

merrie zn. ‘vrouwelijk paard’
Onl. *marchi- ‘merrie’ op grond van een attestatie marthi [8e eeuw; LS], merie in het toponiem Merielant ‘plaats bij Duinkerke’, letterlijk ‘merrieland’ [1093, kopie 15e eeuw; Gysseling 1960]; mnl. merie ‘merrie’ [1240; Bern.], merrye in een merrye voedet dat voelen ‘een merrie voedt het veulen’ [1437; MNW-R].
De gewone vorm in het Middelnederlands is merie, met gerekte stamklinker. De huidige vorm merrie met korte stamklinker is te verklaren door assimilatie van Proto-Germaans *-rh- tot Nederlands -rr-. In merie zou de *-h- al vroeg zijn weggevallen. Deze oude vorm komt dialectisch nog voor als mere, merije. Zie ook → berrie en → derrie.
Os. meriha (mnd. mēre, mērie); ohd. meriha (nhd. Mähre ‘oude knol’); ofri. merie (nfri. merje); oe. miere (ne. mare door samenval met het mannelijke woord, zie onder); on. merr (nzw. märr); alle ‘merrie’ < pgm. *marhijō-. Het woord is een vrouwelijke afleiding van pgm. *marha- ‘paard’, dat in het Nederlands nog voortleeft in de samenstelling → maarschalk (zo ook in het Duits), en verder alleen geattesteerd is als: ohd. marah (mhd. marc); ofri. mar; oe. mearh (ne. mare); on. marr.
Alleen verwant met Keltische woorden: Oudiers marc ‘paard’, Welsh march ‘id.’ < Proto-Keltisch (en pie.?) *marko- (IEW 700). De verdere etymologie is onbekend. Ontlening van pgm. *marha- en *marhijō- aan het Keltisch is onwaarschijnlijk: het gebruik van het achtervoegsel -ī- om een vrouwelijk woord af te leiden van een mannelijke a-stam, zoals bij pgm. *marhijō uit voor-Germaans *mark-ī-, is al zeer oud en is in de Indo-Europese dochtertalen verdrongen door afleiding met een ā-achtervoegsel, zoals bij Oudiers mairce ‘merrie’ < *markā-.
Lit.: A. Quak e.a. (1991), ‘Zu den salfränkischen Tierbezeichnungen’, in: ABäG 19, 7-66

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

merrie* [vrouwtjespaard] {mer(r)ie 1201-1250} oudsaksisch, oudhoogduits meriha, oudfries merrie, oudengels miere (engels mare), oudnoors merr; ook in het kelt., vgl. iers marc, gaelisch marc, welsh march, cornisch margh, bretons marcʼh [paard]. De relatie tussen de germ. en kelt. woorden is onzeker.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

merrie znw. v., dial. ook mērə, mēr, merrəjə, mari, mnl. mērie, merrie, ook marie, marrie, os. meriha, ohd. meriha (nhd. mähre), owfri. merrie, oe. miere (ne. mare), on. merr > germ. *marhi of marhiō een vr. vorm van *marha-’paard’, waarnaast alleen kelt. marko-, oiers marc (IEW 700).

Men heeft het germ. woord als ontlening aan het keltisch beschouwd; daartegen kan spreken de formatie ‘ van het vr. *marhī-. Ook heeft men gedacht aan een woord, dat van een onbekend ruitervolk overgenomen zou zijn (Ipsen, IF 44, 1927, 347). — Voor de klankontwikkeling van het woord vgl. Κ. Heeroma Ts. 77, 1959-60, 187-202, die aanneemt *marhiō > *marija > *mērie > merrie. — Voor de benamingen van de merrie zie de taalkaart van L. G. de Graaf, Taalatlas afl. 1, 9.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

merrie znw., dial. ook mērə, mēr, merrəjə, mari, mnl. mērie, merrie (zelden met a) v. = ohd. meriha (nhd. mähre), os. meriha, owfri. merrie, ags. miere (eng. mare), on. merr v. “merrie”, germ. *marχiô(n)-, femininum bij ohd. marah o., ags. mearh, on. marr m. “paard”, dat nog over is in maarschalk. Germ. *marχa- — ier. mare “paard”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

merrie v., Mnl. id. Os. meriha + Ohd. id. (Mhd. merhe, Nhd. mähre), Ags. mere (Eng. mare), On. merr (Zw. märr, De. mær): Ug. *marhjō, vrouwelijk van Ug. *marha-: Ohd. marah (Mhd. marc), Ags. mearh, On. marr + Ie. marc. We.. march = paard. — Het mann. Ug. *marha-, Ndl. *maar is nog over in maarschalk.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

meer, zn.: merrie, slecht paard. Mnl. mere, meer ‘merrie’. D. Mähre ‘magere, oude knol’, Ohd. meriha ‘merrie’, Mhd. merhe, Mnd. mêre, mêrie, E. mare, On. merr, Zw. märr, uit Germ. *marχiô(n), een vrouwelijke formatie bij Germ. *matχa ‘paard’, Ohd. marah ‘paard’, dat we nog herkennen in Marschall, maarschalk.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

meer 1, zn.: merrie. Etymologisch hetzelfde woord als merrie, dat evenwel naar de vorm beantwoordt aan Mnd. mêre, D. Mähre, On. merr, Zw. märr. Vrouwelijke afl. van Germ. *marha- ‘paard’, dat nog in maarschalk schuilt. Mnl. vise ‘schroef, windas’, Vnnl. vize ‘un viz’ (Lambrecht), vijse, schroeve ‘slak, vulgo visa’ (Kiliaan), 1784 copere veijse, Gent (LC). Ofr. vise, Fr. vis ‘schroef’ < Lat. vitis ‘wijngaardrank’, naar de spiraalvorm ervan.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

merrie s.nw.
1. Volwasse vroulike dier, veral van 'n perd. 2. (skertsend) Meisie of vrou. 3. (neerhalend) Vryerige, koketterige of wulpse meisie of vrou. 4. (neerhalend of skertsend) Onbedagsame, onbeskofte, ligsinnige of sorgelose meisie of vrou.
In bet. 1 en 2 uit Ndl. merrie (al Mnl.). Bet. 3 en 4 het in Afr. self ontwikkel. Eerste optekening in vroeë Afr. in bet. 1 op 8 November 1688 in die aanhaling "30 a 40 so merrien als hengsten" (Resolusies van die Politieke Raad, C.20).
Verwante vorme kom voor in o.a. Oudfries merrie, Oudengels miere (Eng. mare) en Keltiese tale, o.a. Iers marc en Bretons marc'h 'perd'. Die verwantskap tussen die Germ. en Keltiese woorde is onseker.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

meer merrie (Brabant, Oost-Nederland). = hgd. mähre ‘id.’ ‹ ohgd. meriha ‘id.’, ~ *maar ‘paard’ (aanwezig in maarschalk (= oiers mark)). Leenwoord « Oud-Europees.
WNT IX 391, NEW 439, TNZN afl. l krt. 9, Beekes 1998, 21.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

merrie I: vr. perd; Ndl. merrie, dial. mēr(e)/merreje/mari (Mnl. mērie/merrie/mar(r)ie, by vRieb mv. merrys), Hd. mähre, Eng. mare, herk. verderop omstrede (v. dVri J NEW).

merrie II: in ss. nagmerrie, “nare droom”; Ndl. nachtmerrie (Mnl. nachtmerrië/nachtmērië/nachtmēre, volkset. uit nachtmāre, waarin tweede lid dies. is as Mnl. māre, “nagspook, kwelgees”, o.a. ook nog in Hd. mahr en in Eng. nightmare; v. ook maar II/mare.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Maarschalk is letterlijk: paardeknecht; aan ’t eerste lid (Germ. marha) herinnert nog onze vrouwelijke vorm merrie; en schalk (z. d. w.) is oorspr. knecht. Het Fr. nam ’t Germ. woord als maréchal over. Vgl. ’t Mnl.: „Die orsse marscalken” = de paarden beslaan.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

merrie ‘vrouwtjespaard’ -> Negerhollands merri, mėri ‘vrouwtjespaard’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

merrie* vrouwtjespaard 0701-800 [Lex Salica]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

marko- ‘Pferd’, nur kelt. und germ.

Ir. marc, cymr. usw. march ‘Pferd’, gall. μάρκαν Akk. Sg., Marcodurum ON;
ahd. marah, ags. mearh, aisl. marr ‘Pferd’ (nhd. in Mar-schall, -stall), fem. ahd. meriha, ags. mīere, aisl. merr, nhd. Mähre.

WP. II 235.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal