Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mergel - (vettige, zeer vruchtbare aarde)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

mergel zn. ‘vettige, zeer vruchtbare aarde’
Mnl. mergel ‘vette aarde’ [1258; MNHWS], lant ... dat en geins mergels en bedarf ‘land, dat geen mergel nodig heeft’ [1280; VMNW].
Ontleend aan middeleeuws Latijn margila ‘mergel’ [864; Niermeyer], dat moet teruggaan op een Keltisch woord, bijv. Gallisch margila (Delamarre, 219). Plinius de Oudere (Naturalis historia 17, 42) zegt van Latijn marga ‘mergel’ uitdrukkelijk dat het een Gallisch woord is. De Kelten waren de eersten die bemesting met mergel toepasten. Zoals uit het citaat van 1280 blijkt, werd dit ook in Nederland gedaan.
Mnd. mergel; ohd. mergil ‘mergel’ (nhd. Mergel).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mergel [vettige aarde] {1258} < middeleeuws latijn margila, verkleiningsvorm van marla [mergel], naar Plinius meedeelt een keltisch woord. De Kelten pasten als eersten bemesting met mergel toe.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mergel znw. m. mnl. merghel, evenals mnd. mergel, ohd. mergil < gall. *margilā (vgl. mlat. margila) afgeleid van lat. marga, dat zelf weer uit gall. *margā stamt; de bemesting met mergel werd het eerst door de Kelten toegepast.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

mergel znw., mnl. merghel (m.?). = ohd. mergil (nhd. mergel) m., mnd. mergel “mergel”. Uit mlat. margila, demin. van marga “mergel”, een oorspr. kelt. woord.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

mergel v., Mnl. merghele, gelijk Hgd. mergel en Ofra. marle (Eng. marle), uit Mlat. margilam (-a), dimin. van Lat. marga, dat een Kelt. w. is: Bret. marg = mergel.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

melger (zn.) mergel; Vreugmiddelnederlands mergel <1258> < Latien margila.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

melger, zn.: mergel. Afstandsmetathesis < mergel.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

marel (ook in ss. marelgrond) bep. kleiachtige als mest gebruikte aarde (Vlaanderen). = mnl. marle ‘id.’. Evenals eng. marl ‘id.’ « ofra. marle « gall. *margila (» mlat. margila). Afl. van bij Plinius als Gallisch genoemd marga. De bemesting met mergel werd het eerst door de Kelten toegepast. Nl. mergel stamt rechtstreeks van de Keltische of mlat. vorm.
WVD I Ie afl. 60, ODEE 556.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

marel (DB), zn. m.: mergel. Mnl. ma(e)rle ‘mergel’, E. marl < Ofr. marie < Keltisch *margilâ > Mlat. maregila, afl. van Lat. marga < Gal. margâ. Huidig Fr. marne < de gelatiniseerde vorm marna. Samenst. marelput ‘mergelkuil’.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

mergel (Latijn margila)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mergel vettige aarde 1258 [HWS] <ME Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal