Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

melk - (vloeistof uit zoogklieren)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

melk zn. ‘vloeistof uit de zoogklieren’
Onl. miluk ‘melk’ in honigh ande miloch [ca. 1100; Will.]; mnl. melc [1240; Bern.], ook ‘zaadvocht, hom’ in melc dat ontfaet soe inden mont ‘zaadvocht, dat ontvangt zij (een vrouwtjeskarper) in de mond’ [1287; VMNW].
Os. miluk (mnd. melk); ohd. miluh (nhd. Milch); ofri. melok (nfri. molke o.i.v. ofri. molken ‘kaasmelk’, zie onder); oe. meol(u)c, milc (ne. milk); on. mjolk (nzw. mjölk); got. miluks; alle ‘melk’; < pgm. *meluk-. Daarnaast staat het sterke werkwoord *melkan- ‘melken’, waaruit: mnl. melken (zie onder); ohd. melchan (nhd. melken); ofri. melka (nfri. melke, meltse); oe. melcan (ne. milk). Hierbij hoort ook een West-Germaanse afleiding *mulk-nō- ‘product van het gemolkene’, waaruit met betekenissen als ‘kaasmelk, wei e.d.’: mnl. molken, mulken (vnnl. molken); os. molken (mnd. molken); mhd. molchen, molken (nhd. Molke(n)); ofri. molken (nfri. molke); oe. molcen.
De -u- in het zn. *meluk- is opvallend en de verklaring ervan omstreden. Mogelijk is er sprake geweest van één paradigma waarin naast pgm. *melk- de nultrap *mluk- voorkwam, waarna door analogiewerking één versmolten stam *meluk- ontstond; maar *mluk- in plaats van het verwachte *mulk- is daarmee niet verklaard. Mogelijk ontstond de -u- als svarabhaktivocaal in de medeklinkercluster van de nominatief *melks. Door de pgm. -l- werd deze donker gekleurd.
Het werkwoord pgm. *melkan- is in elk geval verwant met: Latijn mulgēre (zie → emulsie); Grieks amélgein; Litouws mélžti; Sloveens mlésti (< *melzti); Middeliers bligim (< *mligim); Albanees mjel, alle ‘melken’. En daarnaast met de zn.: Russisch molózivo ‘biest’ (< *melzivo); Middeliers melg; Welsh blith; Tochaars A malke en Tochaars B malkwer; alle ‘melk en/of moedermelk’. Alle bij de wortel *h2melǵ- ‘melken’ (LIV 279). Van Oudkerkslavisch mlěko ‘melk’ (Russisch molokó) wordt wel aangenomen dat het is ontleend aan het Germaans, aangezien de Slavische -k- anders niet uit pie. *-ǵ- verklaard kan worden. Dit is echter onzeker, omdat er ook andere verklaringen voor bestaan, die aanknopen bij andere Slavische woorden of behelzen dat het om een Grieks leenwoord gaat.
Verwantschap met Latijn lac ‘melk’ en Grieks gala ‘id.’ is in elk geval zeer onwaarschijnlijk. Evenmin wrsch. is de soms genoemde verwantschap met Grieks omorgnúnai ‘afvegen’, Sanskrit mrjáti ‘veegt af, wrijft af’ < pie. *h2merǵ- ‘afstrijken, afvegen’ (LIV 280).
De bijzondere betekenis ‘melkachtig zaadvocht’ is al heel oud, getuige het voorkomen hiervan niet alleen in andere Germaanse talen, maar ook in het Latijn, Baltisch en Slavisch.
melken ww. ‘van melk ontlasten, melk doen geven’. Mnl. milken ‘melken’ [1240; Bern.], melken ook ‘melk geven, zich van melk ontlasten’ in dat .1. wijf melke in siin oge met haren borsten ‘dat een vrouw melk uit haar borsten in zijn ogen laat komen’ [1351; MNW-P]. Sterk werkwoord bij de wortel van melk. ♦ melktand ‘tand van het eerste, te wisselen gebit’. Nnl. melktanden [1701; Marin]. Wrsch. een leenvertaling van Frans dent de lait. De benaming heeft als grond dat de eerste tanden beginnen door te komen terwijl het kind nog wordt gezoogd. ♦ melkweg zn. ‘lichtende band van sterren aan de hemel’. Vnnl. melkwegh [1634; iWNT wolk]. Leenvertaling van Latijn via lactea. Vermoedelijk zo genoemd omdat dit deel van de hemel zo dicht met sterren is bezaaid dat het lijkt alsof daarover melk is uitgegoten.
Lit.: O. Szemerényi (1958), ‘Greek gála and the Indo-European term for “milk”’, in Zeitschrift für vergleichende Sprachforschung 75, 170-190; W. Griepentrog (1995), Die Wurzelnomina des Germanischen und ihre Vorgeschichte, Innsbruck; M. Kümmel (2004), ‘Ungeklärtes *u neben Liquida in germanischen Nomina’, in: A. Hyllested (red.), Per aspera ad asteriscos, Innsbruck, 291-303

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

melk1* [vloeistof uit zoogklieren] {melc 1201-1250} oudsaksisch miluk, oudhoogduits miluh, oudfries melok, oudengels meol(o)c, oudnoors mjólk, gotisch miluks; buiten het germ. oudiers melg, tochaars A malke, tochaars B malkwermelken.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

melk znw. v. m., mnl. melc, os. miluk, ohd. miluh (nhd. milch), ofri. melok, oe. meoloc, meolc (ne. milk > north. milk), on. mjolk (< *meluk), got. miluks. — iers melg n. (es-stam), russ molǫzivo ‘biestmelk’. — Zie: melken.

De dial. vormen van dit woord zijn aangetekend op de taalkaart van A. Weijnen, Taaltuin 4, 1935-36, 345-9 voor wat N. Brabant betreft; opmerkelijk is dat in het oostelijk deel de naam room is, terwijl melk hier juist voor ‘karnemelk’ gebruikt wordt.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

melk znw., mnl. melc v.o. = ohd. miluh (nhd. milch), os. miluk, ofri. mëlok, ags. meol(o)c, north. milc (eng. milk), on. mjolk, got. miluks v. Germ. stam *meluk-. In het Oudndl. is dus de e vóór u niet in i veranderd (tenzij we den ndl. vorm melk aan analogie van het ww. melken zouden moeten toeschrijven). Het naast verwant zijn ier. melg “melk”, russ. molózewo “biest”, die met germ. *meluk van een idg. stam * meləĝ - komen, niet van de ww.-basis mel(ə)ĝ- (zie melken) te scheiden. De onderlinge verhouding tussenen dit * meləĝ- en homerisch glágos, kret. klágos, gr. gála (galakt-), lat. lac (lact-) “melk”, alb. δałɛ “zure melk” is moeilijk vast te stellen. De hypothese, dat wij van een idg. anlaut (del-, dl-moeten uitgaan en dat mel- aan invloed van het ww. mel(ə)ĝ- is toe te schrijven, is meer vernuftig dan overtuigend; evenzoo de hypothese eener idg., “einzelsprachlich” voortgezette contaminatie van meləĝ- “melken” en “geləg- (ĝe -?) “melk” (waarnaast nog wel *geləq- wordt aangenomen wegens ksl. mlêko “id.”; dit is echter veeleer uit ’t Germ. ontleend). Dat lat. melca “gerecht vooral uit gekruide zure melk bestaande” uit ’t Germ. zou komen, is, vooral omdat Anthimus het woord niet Germ. noemt, onzeker, ’t Idg. heeft nog andere woorden voor (soorten van) melk bezeten, blijkens opr. dadan “melk”, oi. dádhi, dadhn- “zure melk” en ier. gert “melk”, oi. ghṛtá- “room, boter”.

[Aanvullingen en Verbeteringen] melk. Opvallende vormovereenstemming met tocharisch B malkweṟ “melk”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

melk v., Mnl. melc, Os. miluk + Ohd. miluh (Mhd. milch, Nhd. id.), Ags. meoloc (Eng. milk), Ofri. melok, On. mjolk (Zw. mjölk, De. melk), Go. miluks: is wellicht verbaalabstr. van melken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

mèlk (zn.) melk; Aajdnederlands miluk <1100>.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

mulk 1, zn.: karnemelk. Mölk is uiteraard de heterofoon van melk. De betekenisverschuiving is te verklaren door de gewoonte om vanwege de armoe alle melk te karnen. Samenst. mullekepap ‘karnemelkse pap’.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

mölk karnemelk (Oost-Noord-Brabant). = melk. De betekenis karnemelk is een gevolg van de armoe, tengevolge waarvan men alle melk karnde en als vloeistof alleen de overblijvende karnemelk gebruikte. De melk kreeg toen de naam romme (mv. van room).
Weijnen 1937, 161-163.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

melk: centrale melk (de), melk van de melkcentrale (melkfabriek). - Etym.: Het staat zo op de verpakking.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

melk: s.nw. en ww., (as s.nw.) wit vloeistof d. vroue en vr. diere afgeskei; wit plantesap wat soos melk lyk; (as ww.) melk uit mens, dier of plant verkry; uit iemand onbillike voordeel verkry; Ndl. melk en melken (Mnl. melc/melke en melken), Hd. milch en milchen, Eng. (s.nw. en ww.) milk en in kompo. milch, Got. miluks, hoofs. Germ.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

melk. Mullebrouck (1984) kent voor Vlaanderen schijt in de melk en eet de brokken zelf! Met de eigenlijke betekenis heeft de verwensing nog nauwelijks iets uit te staan. Alleen de minachting ervan is nog actueel. Ik zou haar hertalen met ‘ik kots van je, lazer op’.
Een correspondent uit Bergeyk stuurde het volgende antwoordvers in:. Wat je zegt, ben je zelf,// Met je kont in de melk,// Met je kont in de stront,// Ben je morgen weer gezond.
In regel (2) zie ik een elliptische verwensing [val] met je kont in de melk! Die verwensing drukt minachting, afkeer enz. uit en kan weergegeven worden als ‘rot op, bekijk het even’. Deze variant is uniek in mijn materiaal. → elf, helft, koffiemelk, lepel, schijten, tiet, touw, verf.

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

melk Melk komt in ten minste drie uitdrukkingen voor in de betekenis ‘borrel’. In Zuidwest-Vlaanderen spreekt men spottend van Franse melk. ‘Omdat veel Fransen geen melk in hun koffie drinken maar er een borrel bij nemen’, aldus een informant (zie ook franse). Een informant uit Hasselt, het centrum van de Vlaamse jeneverindustrie, schrijft dat een borreltje daar onder meer Hasseltse melk wordt genoemd. Ter toelichting schrijft hij: ‘De Hasseltse Melk is bedoeld als vervanging van het potje melk bij de koffie.’ In Friesland is jenever wel Skiedammer tate genoemd, oftewel ‘Schiedammer moedermelk’. De Engelsen kennen het vergelijkbare fun milk voor ‘sterke drank’. Zie ook apenmelk en leeuwenmelk.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

melk ‘vloeistof uit zoogklieren’ -> Indonesisch mélek ‘vloeistof uit zoogklieren’; Javaans mèlek ‘vloeistof uit zoogklieren’; Japans † meruki, meriki ‘(moeder)melk’; Munsee-Delaware mălák ‘vloeistof uit zoogklieren’; Negerhollands melk, melǝk, milǝk ‘vloeistof uit zoogklieren’; Berbice-Nederlands meleke ‘vloeistof uit zoogklieren’; Sranantongo melki, merki ‘vloeistof uit zoogklieren’ (uit Nederlands of Engels); Aucaans meliki ‘vloeistof uit zoogklieren’; Saramakkaans meíki ‘vloeistof uit zoogklieren’; Karaïbisch meliki ‘vloeistof uit zoogklieren’ <via Sranantongo>; Surinaams-Javaans mèleg, mèrki ‘(gecondenseerde) melk’.

N. van der Sijs (2009), Yankees, cookies en dollars, Amsterdam

melk is overgenomen als: Munsee Delaware melek.

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

melk. Het Nederlandse woord melk is overgenomen door het Japans. In deze taal worden verschillende soorten melk onderscheiden. De normale woorden voor 'borst- of moedermelk' zijn chichi en bonyû. Hiervoor gebruikte men vroeger ook het Nederlandse leenwoord meruki of meriki. Voor 'gecondenseerde melk' of 'koeienmelk' wordt wel het Engelse leenwoord miruku gebruikt.

Een taal waaraan men niet onmiddellijk denkt als het gaat om Nederlandse uitleenwoorden, is het Esperanto. Toch stuurt esperantist Guido Van Damme de volgende informatie:

Het Esperanto, de kunsttaal die de Pool dr. Lazarus Ludwig Zamenhof (1859-1917) in 1887 openbaar heeft gemaakt, was oorspronkelijk opgebouwd uit vooral Romaanse (zestig procent), Germaanse (dertig procent) en Slavische (tien procent) stammen. Duidelijk Nederlandse woorden komen er niet zoveel in voor. Een uitzondering vormt mijns inziens het werkwoord melk-i, dat 'melken' betekent, terwijl het woord voor 'melk' zelf uit het Romaanse kamp is ontleend: lakt-o.

Mogelijk gaat het werkwoord melk-i inderdaad terug op het Nederlands; maar gezien de grote invloed van het Duits op het Esperanto en het feit dat Zamenhof geen Nederlands kende, beschouwt de geraadpleegde esperantist Wim Jansen melk-i als een ontlening aan het Duitse melken, niet als een Nederlands leenwoord.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

Melk is goed voor elk [slogan] (1907). In 1907 vinden we de vroegste vermelding van de nog altijd bekende spreuk ‘melk is goed voor elk’. Het is mogelijk dat de spreuk een verkorting is van de regels “Melck op wijn / Dat is fenijn, / Maer wijn op melck / Is goet voor elck”, die in 1632 door Jacob Cats (1577-1660) gedicht werden.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

melk* vloeistof uit zoogklieren 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1496. De (of zijn) melk (of room) optrekken,

d.w.z. zijn woord terugnemen, aan zijne belofte niet voldoen, zich niet houden aan wat men eerst verzekerd, beweerd of beloofd heeft. In eig. zin gezegd van eene koe: geen melk meer geven, bijv. eenigen tijd vóór het kalven of als zij door een onbedrevene gemolken wordt. Vroeger werd de koe trekt haar melk op gezegd van iemand die zijne giften terughoudt (Harreb. I, 422). Zie Winschooten, 242: Menssen, die met den ophef van een saak groot opgeeven: maar siende, dat men geneegen is haar met reeden teegen te gaan, terstond haar melk ophaalen en haar woord, of beloften, of bod geen gestand durven doen; Harreb. III, XC: Het meisje trekt hare melk weêr op, dat is, zij neemt haar gegeven woord aan den vrijer weder terug; Sewel, 484: Zyn melk op haalen, zyn woord breeken (evenzoo in de 17de eeuwZie een aanhaling in Ndl. Wdb. XI, 779.; V.d. Water, 115: De melk optrekken, zich op eenigszins laffe wijze aan een belofte onttrekken; Draaijer, 25: De melk optrekken, zijn woord terugnemen, zijn belofte niet vervullen; Antw. Idiot. 804; Tuerlinckx, 389: zijn melk optrekken, achteruittrekken; onaangenaam verrast worden; Volkskunde, XXII, 87; Onze Volkstaal II, 98 (Neder-Betuwe); fri. de molke oplûke; oostfri. hê trekt de Melk up, übertragen auf geizige Menschen (Ten Doornk. Koolm. II, 508). Synoniem is het maal optrekken (V. Schothorst, 169) of zijn room optrekken (Maas en WaalSchoolblad, 1 Jan. 1907, p. 13: Denkt u soms, dat ik mijn room optrek?); zijne tong of zijn woord deur zijn gat trekken (Teirl. 446 b; Tuerlinckx, 204); klink trekken (Antw. Idiot. 666); zijne kling trekken (Hoeufft, 302); het zwikhout trekken (Antw. Idiot. 1512); de zwing trekken (Antw. Idiot. 2183).

1497. Veel in de melk te brokken (of brokkelen) hebben,

d.w.z. veel te zeggen, veel in te brengen hebben; eig. veel hebben om in de melk te doen, om een lekkere, dikke pap klaar te maken; in goeden doen zijn, en vandaar bij overdracht veel te zeggen hebbenVgl. het tegenovergestelde smal pappen bij Everaert, 91, vs. 83 en Tuinman II, 41: Arme lieden koken dunne bry.. De uitdr. wordt aangetroffen bij Servilius, 80: Hi heeft wel om int melcke te brocken; vgl. verder De Brune, 143: Hy heeft wel in de melck te brocken, geplaatst onder het hoofdstuk ‘overvloed’; Halma, 238: Hij heeft niet om in de melk te brokken, c'est un pauvre misérable, il n'a pas de quoi faire bouillir la marmite; Tuinman I, 84: Zy heeft wat om in de melk te brokken, zy zit warm, zy heeft waar van, om aan den kost te helpen, welke verklaring bevestigd wordt door eene plaats bij V. Moerk. 119: Ick sin een bestoove knecht, kijnt 'kheb vry wat inde melck te brocke: soo dat onse rentjes ons wel redelycker wijs selle keunen voen; Tien Verm. d. Houw. 37: Gy weet liefstentje heeft ook wat om in de melk te brocken, en mede al vry wat ten huwelik gebracht; De Brune, Bank. I, 291; Falkl. V, 129: De bloedverwanten van mijn vrouw's kant hadden zelfs eenige effecten in de melk te brokken. Zie verder Harreb. II, 77; Ndl. Wdb. III, 1500; Villiers, 79; Mgdh. 50: Trouwens 'r man had ook niet veel in de melk te brokkelen, die lag ook bij 'r thuis; Nkr. III, 7 Febr. h. 2: In Brabant daar hebben de socialen nog niet zoo veel in de melk te brokken; VII, 8 Maart, p. 2; 26 Juli p. 2; Het Volk, 28 Febr. 1914 p. 5, k 2: De ware volksvertegenwoordigers zijn slechts zij, die wat in de melk te brokken hebben en dus geen behoefte hebben aan toelagen uit de schatkist. In het hd. zegt men er hat viel in die Milch (oder in die Suppe) zu brocken; in het nd. he hett wat in to stippen; he hett wat in de Melk to krömen (Taalgids V, 184 en en Ten Doornk. Koolm. II, 588 a); in Twente: hee hev' wat in de melk te krömmelen. In het Friesch beteekent hy het altyd hwet yn 'e molke to krommeljen, hij heeft altijd wat aan te merken, te vragen en te klagen. Voor Zuid-Nederland vgl. Antw. Idiot. 302: brokken, fig. betalen, leggen (ook Waasch Idiot. 140); niks in de soep of in de pap te brokken hebben, zeer arm zijn; 591: gij hèt hier niks in te brokken, niets te zeggen; 804: in 't melk te brokken hebben, fortuin bezitten; Teirl. 218: niet te brokkelen (of te brokken) hebben, niets te eten hebben. Ook in het Hagelandsch en het Haspengouwsch bet. in de melk te brokken hebben fortuin hebben (Tuerlinckx 389; Rutten, 142). Vgl. verder iets in te brokken hebben, eenig vermogen bezitten (16de eeuw); er bij inbrokken of inbrokkelen, vroeger in iets brokken, inschieten, hd. einbrocken, d.i. bij iets, bijv. eene hachelijke onderneming, geld op 't spel zetten, en ‘laten zitten’, inschieten; zie Ndl. Wdb. VI, 1533 en vgl. het fri hwet yn 'e molke to krommeljen ha; ook wat in to krommeljen (of to struye) ha, welgesteld zijn.

1526. Met de moedermelk inzuigen,

d.w.z. reeds zeer vroeg, in de prilste jeugd, als zuigeling leeren, daar men meende, dat het kind het karakter kreeg van haar, wier borst het zoog; vgl. Maerlant, Sp. Hist. III5, 32, 82: Ongenaturt (ontaard) was al sijn lijf, want sine amme (voedster) was een quaet wijf; Amand, I, 3264: Si in quaetheden waren ghesoghet; Poirters, Mask. 62: Het sogh en het melck deelt sijnen aert alsoo sterck mede als het bloet selver; Hooft Brieven, 573: Dat is den lieden in de daagelijksche hanteeringe, gelijk kinderen in hunne melk ingegeeven; Ged. II, 423: Ick soogh die potterij van jongs uit mijn brooddroncken moertjes speentje. In de 18de eeuw o.a. bij Van Effen, Spect. III, 68; XII, 145: met de melk inzuigen (of indrinken). Bij Sartorius I, 8, 21 wordt in denzelfden zin opgegeven: hy heeftet uyt zijn moeders borsten gesogen, id est à primis vitae rudimentis, waarvoor ook gezegd wordt: iets met den pap(lepel) in krijgen (Tuinman I, 111; Van Effen, Spect. VII, 213), waarmede te vergelijken is Westerbaen I, (Ockenb. 50): De oude geven het haer kinderen in den bry. De Romeinen zeiden cum lacte nutricis sugere, met de melk der voedster inzuigen (Otto, 183Vgl. ook Archiv. XIII, 386 en voor het eng. Prick, bl. 72: This fellow hath sucked mischiefe even from the teate of his nurse.). In het Afrik. Met die moedermelk iets indrink; Friesch: dat is him yn syn earste brij jown to iten; ook dat het er mei de memmetate (moederborst) ynsûge. Vgl. voor Zuid-Nederland Waasch Idiot. 770: Dat heeft hij van geen vreemden gezogen, zijne ouders hebben hetzelfde gebrek (evenzoo in Antw. Idiot. 2178); in het fr. sucer avec le lait; hd. mit der Muttermilch einsaugen; eng. to imbibe with one's mother's milk.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

mē̆lg̑- (oder melǝg̑-?) ‘abstreifen, wischen’, europ. ‘melken’, Präs. mēlg̑-mi, Pl. melg̑-més, Partiz. Perf. Pass. ml̥g̑-tó-, molg̑o- ‘Melken’

Ai. mā́ršṭi, mā́rjati, mr̥játi ‘wischt, reibt ab, reinigt’, Partiz. Perf. mr̥ṣṭá-, s-Präs. mr̥kṣáti ‘streicht, reibt, striegelt’, mr̥kṣáyati, mrakṣáyati ‘bestreicht’; av. marǝzaiti, mǝrǝzaiti ‘berührt streifend’, zastā-maršta- ‘durch Handschlag (d. i. Berührung der Hände) geschlossen (Vertrag)’; d-Präsens ai. mr̥ḍáti, mr̥ḍáyati ‘ist gnädig, verzeiht, verschont’, av. mǝrǝždā- ‘verzeihen’ (mǝrǝždika-, marždika- ‘sich erbarmend’, n. ‘Barmherzigkeit’); diese ar. Worte können auch *merg̑- enthalten; nichtpalatalen Guttural zeigt ai. nir-mārgá-ḥ) ‘Verwischung; Abgestreiftes, Abfall’, ni-mr̥gra- ‘sich anschmiegend’, vi-mr̥gvarī f. ‘reinlich’, apāmargáḥ- ‘Achyranthesaspera’ (J. Schmidt KZ. 25, 114);
gr. ἀμέλγω ‘melke’, hom. ἐν νυκτὸς ἀμολγῳ̃ ‘im Augenblick des nächtlichen Melkens’; ἱππημολγός, βουμολγός ‘Roß-, Kuhmelker’, ἀμολγεύς, ἀμελκτήρ ‘Melkkübel’;
lat. mulgeō, -ēre, mulsi, mulctus (= ai. mr̥ṣṭá- ‘abgewischt’) ‘melken’ (aus *molg̑ei̯ō : lit. málžau, málžyti), auch prō-mulgāre legem ‘ein Gesetz verkünden’ (‘*hervorziehen’); mulctra ‘Melkkübel’;
mir. bligim ‘ich melke’ (aus *mligim), Perf. do-om-malg ‘mulxi’, mlegun ‘das Melken’, melg n. (es-St.) ‘Milch’, Gen. bō-milge ‘der Kuhmilch’, mlicht, blicht ‘Milch’ (*ml̥g-tu-s); daneben bō-mlacht (aus *bō-mlicht ‘Kuhmilch’): air. *to-in-uss-mlig- ‘prōmulgāre’; Kausativ mir. bluigid ‘melkt, erpreßt’; cymr. blith m. ‘Milch; milchgebend’ (*ml̥g̑-ti-); gallorom. *bligicāre ‘melken’;
alb. miel, mil ‘melke’ (*melg̑-);
ahd. milchu, melchan, ags. melcan ‘melken’ (st. V.; dagegen ags. meolcian, aisl. mjolka Denominative von *meluk- ‘Milch’ s. unten), ahd. chumelktra ‘Melkkübel’ (vielleicht dem lat. mulctra nachgebildet), anord. mjaltr ‘milchgebend’ (*melkta-); mit Tiefstufe ags. molcen, mhd. molchen, molken ‘dicke Milch’, nhd. Molken, und aisl. schw. V. molka ‘melken’, mylkja ‘säugen’;
wegen des zweiten Vokals strittig ist die ursprüngliche Zugehörigkeit von got. miluks, ahd. miluh, ags. meolc, mioluc, aisl. mjǫlk ‘Milch’; eine i-Erweiterung in ags. milc und nhd. hess. melχ (*mili-k-); nach Specht (Idg. Dekl. 126) ist überhaupt eine zweisilbige Wurzel anzusetzen; aus dem Westgerm. wohl lat. melca f. ‘Sauermilch’;
lit. mélžu, mìlžti, Partiz. mìlžtas (= ai. mr̥ṣṭá-, lat. mulctus) ‘melken’; Iterat. málžyti; russ.-ksl. mъlzu, mlěsti ‘melken’, slav. *melzivo in slovak. mlė́zivo, russ. molózivo (usw.) ‘Biestmilch’; mit o-Stufe: serb. mlȃz m. ‘Milchstrahl’ beim Melken (der Stoßton von serb. mȕsti = *ml̥z-ti ist von der älteren Dehnstufenform des Inf. mlěsti = lit. mélžti übernommen);
toch. A mālklune ‘das Melken’; Amalke, В malk-wer ‘Milch’.

WP. II 298 f., WH. I 741 f., II 62 f., 121 f., Trautmann 178, Specht Idg. Dekl. 147 f.; vgl. auch melk- und merg̑-.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal