Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

melde - (volksnaam of oude naam voor melganzevoet)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

melde zn. ‘kruidachtige plant (geslacht Atriplex)’
Mnl. melde ‘melde’ [1240; Bern.], Atriplex ... dits ... een cruut ende heyt melde ‘... dat is een kruid dat melde heet’ [14e eeuw; MNW].
Os. maldia; ohd. melda (nhd. Melde); oe. melde; ozw. maalle (nzw. molla), mæld; < pgm. *maldiō- ‘melde’.
Mogelijk bij dezelfde wortel pie. *meH- als → meel, vanwege de met wit stof bedekte bladeren. Hiervoor pleit bijv. nzw. mjölgräs, letterlijk ‘meelgras’ voor dezelfde plant.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

melde* [plantengeslacht, ganzenvoet] {1226-1250} middelnederduits, oudengels melde, oudhoogduits molta, melta (hoogduits Melde); buiten het germ. grieks bliton, (< mliton) [melde], oudindisch mlāyati [hij verlept]; de plant is genoemd naar haar wit bestofte bladeren en verwant met meel.

milt2* [plant] {1854} nevenvorm van melde.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

melde znw. v. ‘plantengeslacht’, mnl. melde (oudnnl. ook milde), os. maldia, mnd. melde, ohd. melda (nhd. melde), daarnaast ook malta, muolta, molta (nhd. dial. beiers molten), oe. melde, ozw. mæld(yrt), molda. Andere namen voor het geslacht atriplex zijn vla. dauwkole, ozw. mjölgräs, de. melspinat, alle namen die wijzen op de wit bestoven bladeren van de plant en die dus samenhangen met meel. Vgl. namen als lit. balánda bij bálti ‘wit worden’ en russ. lebedá bij serbo-kroat. lebedĭ ‘zwaan’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

melde znw., mnl. melde v., oudnnl. ook milde. = ohd. melda (nhd. melde) v., waarnaast malta, muolta, molta v. (nog bei. molten), mnd. ags. melde v., ozw. mæld(yrt), molda, benamingen voor planten van de geslachten “atriplex” en “chenopodium”. De naam hangt wsch. samen met meel; de plant is dan naar de “bemeelde” bladeren genoemd: vgl. ozw. mjölgräs “chenopodium rubrum”, de. melspinat “atriplex hortensis”, en ook vla. dauwkoole “atriplex patula” en “chenopodium album”. Zeer onzeker is verwantschap met gr. blíton (*mlíton) “melde”, kymr. meillion-en “klaver”, oky mr. mellhionou “violas”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

melde. Owvla. (herb.) melde ‘atriplex’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

mel v., = melle = melde (z.d.w.).

melde v., Mnl. id. + Ohd. melta, malta, (Mhd. mulde), Ags. melde + Gr. blíton (uit *mbliton, *mliton).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

male 2 zn.: melde, Atriplex. Uit malde door velarisering van de klinker voor gedekte l (ld) < Mnl. melde. Ohd. molta, melta, Mhd. melde, melte, D. Melde, Os. maldia, Oe. melde. Uit Idg. dentale uitbreiding *meldh- < wortel *mel(ǝ)-, in meel, malen.

meien zn. mv.: melde, Atriplex. Wellicht door vocalisering van de l in melde, vgl. Kortrijks suiferke < sulferke ‘lucifertje’, Wvl. oitemets < oltemets, altemets ‘soms’. Of door verwarring met meie ‘meidoorn’.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

meide (DB), zn. v.: stinkende kamille, Anthemis cotula. Wvl. ook stinkende mei. Aangezien het kruid ook stinkende melde heet, is meide wellicht te verklaren door palatalisering van l > i; vgl. suiferke ‘sulferke’ (K), dial. mejk < melk. Ndl. melde ‘ganzenvoet’. Mnl. melde, Mnd., Oe. melde, Ohd. molta, melta, D. Melde. Verwant met meel vanwege de wit bestofte blaren.

Thematische woordenboeken

W. Deconinck (2019), Plantennamen nader toegelicht, Kortrijk.

melde
Uitstaande melde | Atriplex patula L.
Spiesmelde | Atriplex prostrata Boucher ex DC.

Al in het Middelnederlands werden deze planten Melde genoemd. De naam Melde komt van het Oudhoogduits melta of malta en betekent “met meel bestoven”, een verwijzing naar de onderkant van de bladeren die bij van sommige soorten Melde er meelachtig of grijs uitzien. Het woord melde hangt nauw samen met de woorden meel en malen.

Bij de Uitstaande melde staan de onderste zijstengels sterk uitgespreid, vandaar Uitstaande in de naam. Bij Spiesmelde zijn de onderste en middelste bladeren driehoekig-spiesvormig.

F. Kok (2007), Waarom brandnetel?, Nieuwegein

Melde (uitstaande), Atriplex patula
Altriplex: de betekenis is niet helemaal helder. Wellicht gaat het om een eetbare plant die ‘met het atrium vervlochten’ oftewel ‘atrio plexus’ heette. Het atrium was de open binnenplaats van Romeinse villa’s.
Patula: een onderdeel van de plant staat wijd open of uitgespreid.
Uitstaande melde: bij Uitstaande melde staan de bladeren ver uit elkaar, vandaar de Nederlandse naam. Het deel melde in de naam is afkomstig van een oud woord voor meel. Het lijkt alsof de bladeren licht met meel bestoven zijn.

H. Kleijn (1970), Planten en hun naam: Een botanisch lexicon voor de Lage Landen, Amsterdam

Chenopódium | Chenopódium álbum: Melganzevoet
Dit geslacht heeft de naam Chenopódium te danken aan het feit dat de bladeren (van de meeste soorten!) gelijkenis vertonen met de poten van ganzen, afgeleid van het Griekse chen: gans en podos: voet. Een oude Latijnse benaming Pes anserinum, wil hetzelfde uitdrukken, want pes: voet, en anserinum komt van anser: gans. Van de verscheidene soorten van dit geslacht die in ons land voorkomen is deze wel de meest algemene. De naam Melde die we in verscheidene dialectische of gewestelijke vormen tegenkomen, heeft waarschijnlijk iets te maken met meel, omdat de bladeren er als met meel bestoven uitzien. Bovengenoemde soort is dus een plant met ganzevoetachtige bladeren, die een als met meel bestoven aanzien heeft. De volgende namen komen onder meer voor Mei, Melt, Witte mei en Witte melde. In 1514 komen we haar tegen als Milde.
De oorsprong van het woord zal wel liggen in mei: malen, en het daaruit ontstane meel sloeg dan op het als met meel bestoven blad. Aan dr. J. de Vries ontlenen we het volgende: ‘Melde, vergelijk Oudhoogduits melda, malta, muolta, Oudengels melde, een plantnaam die naar de kleur der bladeren schijnt genoemd te zijn, indien wij tenminste het woord meel in verband mogen brengen.’ Men denkt ook aan een verbastering van het oude Duitse woord Molte, dat stof of mout beduidt, vanwege het stof of meel op de bladeren. Zo noemt L. Fuchs de plant Wild Molten in zijn Duitse uitgave van 1543.
Namen die we in de Achterhoek van Overijsel tegenkomen, luiden: Luismelde, Luizemel, Luzemelde, Luzemelle of Luzemilte.
De verklaring ligt in het feit dat de bevolking in de vorm van het zaad een luis meende te zien. In het nabije Duitse grensgebied noemt men haar Luusmell. Wanneer de groenten duur waren of de oogst was tegengevallen, at men deze, algemeen op bouw- en moesland en langs de wegen voorkomende, plant als spinazie. De zaden werden als grutten gegeten. Dat zij reeds heel vroeg als voedsel-plant gebruikt werd, valt op te maken uit de gevonden zaden bij paalwoningen in Zwitserland. Door het vee werd zij eveneens niet versmaad. De Latijnse soortnaam album (alba: wit) duidt op de witachtige bladeren.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

mel-1 (auch smel-), melǝ- : mlē-, mel-d- : ml-ed-, mel-dh-, ml-ēi- : mlī̆-, melǝ-k- : mlā-k-, mlēu- : mlū̆- ‘zermalmen, schlagen, mahlen’, speziell Korn; aus ‘zerrieben’ auch ‘fein, zart, weich’ und ‘aufgerieben, schwach’, melu̯o- ‘Mehl’; mol-to-, ml̥-to-, ml̥̄-to- ‘Zermalmung’, mlī-no- ‘zermalmt’

A. Ai. mr̥ṇāti, mr̥ṇati ‘zermalmt, mahlt’, mūrṇá- ‘verwelkt, schlaff’ und ‘zermalmt’ (auch z. T. mit 3. mer- vermischt), mlā- ‘weich, welk, schlaff werden’, mlātá- ‘weich gegerbt’, av. mrāta- ds., vielleicht ai. malvá- ‘töricht, läppisch’ (‘*schwach’ in geistigem Sinne); vgl. got. ga-malwjan, ahd. molawēn, lit. mal̃vinti; von der i-Basis ai. mrityati ‘zerfällt, löst sich auf’;
arm. malem ‘zerstoße’ (*mel-), ml-ml-em ‘reibe’, mełm ‘weich, schlaff’, ma-mul ‘drückt’;
gr. μύλη f., spät μύλος m. ‘Mühle’, μύλλω ‘mahle, zerreibe, zermalme’ (auch wie lat. molō ‘beschlafe’: sizil. μυλλός ‘pudendum muliebre’); μαλερός ‘zermalmend’; μάλευρον ‘Mehl’ ist Kreuzung von ἄλευρον und μύλη; ἀμαλός ‘schwach, zart’, ἀμβλύς ‘kraftlos, schwach’; von der i-Basis gr. βλίτον ‘Melde’ (vgl. zur Bed. nhd. Melde unter mel-dh-), βλιτο-μάμμας ‘Dummkopf’, βλιτάς ‘wertlose Frau’;
alb. mjel ‘Mehl’ (*melu̯o- = nhd. Mehl);
lat. molō, -ere ‘mahlen’ (= air. melid), molīna ‘Mühle’, mola ‘Mühlstein’; umbr. kumaltu, kumultu, comultu ‘commolitō’, kumates, comatir ‘commolitīs’, maletu ‘molito’ (idg. *melṓ); lat. mulier ‘Weib’ (aus *muli̯ési, idg. *ml̥-i̯ésī ‘die zartere’, Kompar. zu mollis [S. 718]); marcus ‘Hammer’, Rückbildung zu marculus, martellus (*mal-tl-os), das a wie in lat. palma : gr. παλάμη; lat. malleus ‘Hammer, Schlägel’ aus *mal-ni- ‘Zermalmung’;
air. melim ‘molō’ (mit com- ‘zerreiben’, mit to- ‘verzehren’); cymr. malu (*mel-), bret. malaf ‘mahlen’, meil ‘Mühle’ (*meli̯ā); air. mlith Dat. ‘zu mahlen, (*ml̥-t-), mol ‘Mühlstange’; *malǝu̯o- ‘weich’ in bret. divalo ‘(nicht zart =) roh, häßlich’, cymr. malwoden ‘Schlamm’; von schwerer Basis gall. *blāto- (frz. blé), mcymr. blawt, ncymr. blawd, acorn. blot, bret. bleud ‘Mehl’ (ml̥̄-tó- = lit. mìltai) air. mlāith, mir. blāith ‘sanft, glatt’, mbret. blot ‘weich, zart’ (*ml̥̄-ti-; cymr. mwlwg ‘Kehricht’ (*molu-ko-); kelt. *molto- in cymr. mollt, corn. mols, bret. maout, mir. molt, gall.-rom. multo, -ōne ‘(verschnittener) Widder’;
got. ahd. malan, aisl. mala ‘mahlen’ (germ. a-Präsens); ahd. muljan ‘zermalmen’, aisl. mylia ds., ahd. gimulli ‘Gemüll’ (aber ahd. mulī, -īn, ags. myln, aisl. mylna ‘Mühle’ aus spätlat. molīna); got. mulda, ags. molda, aisl. mold, ahd. molta f. ‘Staub, Erde’ (*ml̥-tā); got. malma m. ‘Sand’, aisl. malmr ‘Erz’, ablaut. ags. mealm-stān ‘Sandstein’, mhd. malmen ‘zermalmen’, as. ahd. melm ‘Staub, Sand’ (: lit. melmuõ ‘Nierenstein, Steinkrankheit’); nhd. dial. mulm ‘zerfallene Erde, Staub, vermodertes Holz’; ahd. as. mëlo, Gen. -wes, ags. melu-, Gen. -wes, aisl. mjǫl ‘Mehl’ (*melu̯o- = alb. miel);
ahd. mil(i)wa ‘Milbe’ (*melwjō); got. malō n., aisl. mǫlr (*molu-) ‘Motte (mehlmachendes Tierchen’); abg. molь (*moli-) ds., arm. dial. mǝɣmóɣ (aus *mołmoł) ‘Motte’; sehr fraglich ist Zugehörigkeit von ai. malūka- m. ‘Art Wurm’, arm. mlukn ‘Wanze’, und die von as. mnd. mol m., mhd. n. ‘Eidechse’, ahd. mol, molm, molt ‘Eidechse’, nhd. Molch, das an arm. mołēz ‘Eidechse’ erinnert; eher zu 6. mel- S. 721;
got. ga-malwjan ‘zermalmen, zerstoßen’, aisl. mølva ‘in Stücke brechen’, ahd. molawēn ‘tabere’; aisl. mjǫll ‘feiner Schnee’, schw. dial. mjäl(l)a ‘Art feiner Sanderde’ (*melnā); got. mulda, ags. molde, ahd. molta ‘Staub, Erde’ (Partiz. *ml̥-tā́ ‘die zerriebene’);
lit. malù, málti (Akzent der schweren Basis) ‘mahlen’, malũnas, apr. malunis ‘Mühle’, mìltai, lett. mil̃ti ‘Mehl’ (= cymr. blawd), apr. meltan ‘Mehl’; lit. malinỹs, milinỹs, lett. mìlna ‘Quirlstange’; lit. mal̃vinti, mulvinti ‘plagen’; mit Formans -to-: lett. màltît, miltît ‘schlagen’; lit. melmuõ s. oben;
aksl. meljǫ, mlětь, russ. molótь, skr. mljȅti (schwere Basis) ‘mahlen’; poln. mlon ‘Griff an der Handmühle’ (*melnъ), russ. mélenъ (*mel-eno), skr. čak. mlán (*molnъ) ds.; skr. mlȇvo, mlijevo ‘Mahlgut, Korn’ (= ahd. melo, alb. mjeł; daneben serb. ml-ȋ-vo, russ. mél-i-vo ‘Mahlgut’); klr. mółot m. ‘Treber, Hülsen von Malz’, sloven. mláto n., mláta f. ‘Malztreber’, čech. mláto ds., apr. piva-maltan ‘Biermalz’ (germ.? s. mel-d-) usw.; wohl auch (leichte Basis) aksl. mlatъ, russ. mólotъ usw. ‘Hammer’ als *mol-to- ‘Zermalm-ung, -er’; ksl. mlatiti (*moltiti) ‘schlagen’; dehnstufig mělъkъ ‘klein’ und aksl. mělъ ‘Kalk’ usw.;
toch. A malywët ‘du drückst, zertrittst’, В melye ‘sie zertreten’;
hitt. ma-al-la-i ‘zermalmt’;
mit anl. s-: norw. smola ‘zermalmen’; mhd. smoln ‘Brotkrümchen ablösen’, aschw. smola, smula, smule ‘Brocken’ (neben aisl. moli ds., mǫl f. ‘Haufe von Steinen’); lett. smelis, smēlis ‘Wassersand im Felde’, lit. smėlỹs, Gen. smė̃lio ‘Sand’, smiltìs ds.
B. Basis m(e)lēi- : mlī- in: cymr. blin ‘müde’ (*mlī-no-), abr. Pl. blinion ‘inertes’; lett. blīnis ‘müder Mensch’, blĩnêt ‘siechen’; serb. mlȉtām, -ati ‘faul werden, schlendern’ (vgl. mit : ai. mrityati, gr. βλίτον), russ.-ksl. mlinъ ‘Kuchen’, russ. blin ‘Pfannkuchen’, serb. mlȉnac ‘gewalkter Teig, Matze’; klr. mlity ‘vergehen’, Kaus. mloity ‘Übelkeit erregen’;
unsicher serb. mlédan ‘mager, schwach’, dial. ‘fade, flau’ (in Slavonien mlídan), usw.
hierher wohl (als ‘Mahlfrucht’) gr. μελίνη, lat. milium (*melii̯o-), lit. f. Pl. malnos ‘Hirse’; ursprüngl. Flexion *mél-i-, -n-és.
C. Von einer u-Basis (vgl. gr. ἀμβλύς, ai. malvá-, nhd. Mehl usw.): av. mruta- ‘aufgerieben, schwach’, mrūra ‘aufreibend, verderblich’.
mel-d- (vielleicht zuerst in einem d-Präs.); m(e)le-d-; ml̥du-, m(e)ldu̯i- ‘weich’.
Ai. márdati, mr̥dnāti ‘zerdrückt, reibt, reibt auf’, av. marǝd- (mardaite; morǝnda-t̰ aus *mr̥nda-) ‘zuschanden machen’, Kaus. ai. mardayati ‘zerdrückt, zerbricht, bedrängt, quält’ (diese ar. Worte können und werden z. T. auch idg. mer-d- gleicher Bed. fortsetzen); ai. mr̥dú- (= gr. βλαδύς) ‘welch, zart’, fem. mr̥dvī́, Kompar. mradīyān, Superl. mradiṣṭha-; vi-mradati ‘erweicht’; ai. mr̥t- (mr̥d-) ‘Erde, Lehm, Ton’, mr̥tsná- m. n. ‘Staub, Pulver’, mr̥tsnā́ ‘schöne Erde, guter Lehm, Lehm’ (: nisl. mylsna ‘Staub’);
arm. mełk ‘weichlich, schlaff’ (*meldu̯-i-);
gr. ἀμαλδύ̄νω ‘schwäche, zerstöre’ (zu *[ἀ]μαλδύ-ς = ai. mr̥dú-); βλαδύς, βλαδαρός ‘schlaff’ (*μλαδ-, *ml̥d-); μέλδω ‘schmelze’ (tr., med. intr. = ags. meltan usw.); mit der Vokalstellung und Bed. von ai. vimradati, mradīyān auch βλέννα f., βλέννος n. ‘Schleim, Rotz’, βλέννος ‘langsam von Verstand, verdummt’ (*mled-sno-, vgl. ai. mr̥t-sná-);
lat. mollis ‘weich, geschmeidig, biegsam’ (*ml̥du̯-is, vgl. ai. fem. mr̥dvī́); blandus ‘schmeichelnd, liebkosend, freundlich’ aus *mlǝndo-?;
cymr. blydd ‘sanft, zart’, bret. ble ‘schwach’ (*ml̥do-), air. meldach ‘angenehm’ (können auch zu mel-dh- gehören; ebenso:) schott.-gäl. moll m. ‘Spreu’;
mir. blind, blinn ‘eines toten Mannes Speichel’ (wohl *ml̥d-sno-?);
ags. meltan ‘schmelzen, verbrennen, verdauen’, aisl. melta ‘(im Magen) auflösen, verdauen’, norw. molten ‘mürbe, weich’, Kaus. ags. mieltan ‘schmelzen, reinigen, verdauen’; got. gа-malteins f. ‘Auflösung’, aisl. maltr ‘verfault, verdorben’, ahd. malz ‘hinschmelzend, kraftlos’; ahd. malz, ags. mealt, as. aisl. malt ‘Malz’ (slav. *molto, čech. mláto usw. ds. entlehnt aus dem Germ.);
mit ai. mr̥d-, mr̥tsnā́- vgl. nisl. mylsna ‘Staub’, ags. formolsnian ‘zu Staub werden’ (s. oben);
mit anl. s-: ahd. smē̆lzan ‘zerfließen, schmelzen’, smalz ‘ausgelassenes Fett oder Butter’, ags. smolt, smylte ‘ruhig, von der See’, aschwed. smultna ‘ruhig werden’; hierher vielleicht ahd. milzi, ags. milte f., milt m., aisl. milti ‘Milz’ (läßt sich leicht ausstreichen, gleichsam zerschmelzen);
abg. mladъ, russ. mólodъ usw. ‘jung, zart’ (*moldo-); apr. maldai Nom. Pl. m. ‘Jungen’, maldū-ni-n Akk. Sg. ‘Jugend’, maldian ‘Fohlen’; apr. maldenikis ‘Kind’, abg. mladenьcь, mladьnǝcǝ ‘Jüngling’ (*molden-, *moldin-);
mel-dh- (vielleicht zuerst in einem dh-Präsens *mel-dh-ō):
Ai. márdhati, mr̥dháti ‘läßt nach, vernachlässigt, vergißt’ (‘*wird weich, schlaff = aufgerieben’);
gr. μαλθακός ‘weich, zart, mild’ (nach μαλακός erweitert aus:) μάλθη ‘Wachs’, μαλθώσω· μαλακώσω Hes., μάλθων ‘Weichling’, μαλθαίνω ‘erweiche’;
hierher (oder zu mel-d-) cymr. blydd usw.;
got. unmildjai Nom. Pl. ‘lieblos’, mildiþa ‘Milde’, aisl. mildr ‘gnädig, barmherzig’, ags. milde, ahd. milti ‘milde, gütig, freundlich’;
ahd. melta, ags. melde, aschwed. mæld, molda, ahd. malta, multa ‘Melde’ (vgl. gr. βλίτον ‘Melde’ aus *mli-to-, von der Mehlbestäubung der Blätter).
(s)mel-k-
aisl. melr ‘Sandhügel’ (*melha-), schwed. dial. mjåg (*melga-) ds.
lett. smelknes ‘Mehlabfall’, smalknes ‘Feilstaub, Sägespäne’, smalks ‘fein’, smulksne ‘Stäubchen, Kleinigkeit’;
lit. smulkùs ‘fein’, smùlkti ‘fein werden’, smulkmė ‘Kleinigkeit’;
lit. smiltìs, lett. smìlts, smil̂kts ‘Sand’.
melǝ-k-, mlāk- ‘weich, schwach, matt, albern’.
Gr. μαλακός ‘weich’, βλά̄ξ, -κός ‘schlaff, träge, weichlich, töricht’; βληχρός, hom. ἀβληχρός ‘schwach, sanft’ (*μλᾱκ-σρός); μάλκη ‘das Erstarren vor Kälte, Erfrieren’, μαλκί̄ω ‘habe vor Kälte steife Glieder’ weicht in der Bed. zu weit ab;
mir. malcad ‘Verfaulen’; vermutlich mir. blēn (air. *mlēn) ‘die Weichen’ aus *mlaknā;
aksl. mlьčati, russ. molčátь ‘schweigen’ (*milkē-), aksl. u-mlьčiti ‘bezähmen’, u-mlьknąti ‘verstummen’ (: ir. malcaim ‘verfaule’); bulg. serb. mlȃk ‘lauwarm’, usw. dazu lit. mùlkis (*ml̥̄ki̯os) ‘Dummkopf’.
Mit -sko-: got. un-tila-malsks ‘unbesonnen’, as. malsc ‘stolz’, nhd. mulsch ‘weich’, mulschen dial. ‘schlafen’.

WP. II 284 ff., WH. I 508, II 16, 103 ff., Trautmann 167 f., 177, 184, 188.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal