Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mei - (maand)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

mei zn. ‘vijfde maand van het jaar’
Mnl. mey, meye, maye in in den meie ‘in de maand mei’ [1253; VMNW], in de mant van meie [1267; VMNW]; vnnl. mey, meymaend [1599; Kil.].
Ontleend aan Latijn Māius (mēnsis) ‘de maand mei, de maand van Māius’, wrsch. genoemd naar Iūpiter Māius, ‘de god die de groeikracht brengt’ (Toll., Kluge). Mogelijk wordt ook verwezen naar een oude natuurgodin Maia; zij is de dochter van Faunus, een Romeinse natuurgod, beschermer van vee en akkers en brenger van vruchtbaarheid, en zij is de echtgenote van Vulcanus, de Romeinse vuurgod (BDE; TLF). Māius, Māia kunnen via een oudere vorm *magjus zijn afgeleid van magnus, vrouwelijk magna, ‘groot’, zie → mega-, en verwijzen naar de grootheid van deze god of godin, met name de grote macht die blijkt uit het bevorderen van de vruchtbaarheid der natuur. Een derde mogelijkheid is dat māius zonder tussenkomst van goden of godinnen is afgeleid van māior ‘groter’ en dat de betekenis dus is ‘maand van het groter worden, groeimaand’ (Vercoullie).
Een Nederlandse naam voor deze maand is bloeimaand, een samenstelling van → bloeien en → maand, die echter pas in de 17e eeuw geattesteerd is: vnnl. bloeymaandt [1642; WNT bloeimaand].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mei1 [maand] {maium 1050, mey(e) 1270} < latijn (mensis) Maius, mensis [maand], Maius [van, gewijd aan Maia of Maius]; reeds in de Oudheid werd ‘Maius’ verbonden met ‘Maia’, de moeder van Mercurius, maar oorspr. een ouditalische godin van de groei, of ook wel met haar mannelijke tegenhanger ‘Maius’. Beide namen zijn verwant met magnus [groot] en maior [groter] (vgl. majoor, meier1).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mei znw. m. ‘bloeimaand’, mnl. meye, mey m. v.,mnd. mei, meig va.., ohd. meio (nhd. Mai) < lat. Maius, genoemd naar Jupiter Maius ‘de god die de groeikracht brengt’. Overgenomen in de 7de eeuw, evenals de andere maandnamen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

mei znw., mnl. mey(e) m.v. = ohd. meio (nhd. Mai) m., mnd. mei, meig m. “Mei”. Uit rom. *maju of lat. Mâius. Voor de chronologie van de ontl. zie Maart. Eng. May uit fr. mai (< lat. Mâius). De bet. “meiboom, meitak” sedert het Mnl. Mhd. Mnd.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

Mei m., Mnl. meie, gelijk Hgd. en Fr. mai, uit Lat. maium (-us), d.i. *magjus = groeimaand, van denz. wortel als magnus = groot (z. mogen).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

mei (zn.) 1. de maand mei 2. naamdag; Vreugmiddelnederlands mey <1253>.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

Mei s.nw.
Vyfde maand van die jaar.
Uit Ndl. mei (Mnl. meye).
Ndl. mei uit Latyn mensis Maius, met mensis wat 'maand' en Maius wat 'van of gewy aan Maia of Maius' beteken. Maius is reeds in die Oudheid verbind met Maia, sy vroulike teenhanger en moeder van Mercurius, oorspr. 'n Romeinse godin wat groei en vrugbaarheid bevorder het. Beide Maius en Maia is verwant aan magnus 'groot' en maior 'groter'.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

mei (Latijn (mensis) Maius)

T. Pluim (1922), Wetenswaardig allerlei: bijdragen tot algemeene kennis voor studeerenden bijeenverzameld door T. Pluim, Groningen

Mei is genoemd naar Maja, de Romeinsche godin van den wasdom in de lente.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Mei, uit ’t Lat. Majus, voor Magjus, van magnus = groot. De naam bet. dus: de grooter-makende, de bloeiend-makende.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

mei ‘vijfde maand’ -> Indonesisch Mei ‘vijfde maand’; Madoerees mei ‘vijfde maand’; Makassaars mei ‘vijfde maand’; Minangkabaus mai ‘vijfde maand’; Nias mai ‘vijfde maand’; Soendanees mai ‘vijfde maand’; Singalees mäyi ‘vijfde maand’; Negerhollands maj ‘vijfde maand’; Papiaments mei ‘vijfde maand’; Sranantongo mèi ‘vijfde maand’; Sarnami mai ‘vijfde maand’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mei vijfde maand 1270 [CG I1, 145] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal