Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

meeldauw - (bepaalde plantenschimmel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

meeldauw zn. ‘bepaalde plantenschimmel’
Vnnl. meeldauw: den Dauw; (die men al-se honingh-soet is, Meeldauw noemt) [1666; Claes 1994a]: Meeldauw ... word een zeker witagtige drooge stoffe, als meel of fijn gepoeijert zout 'er uitziende, genaamt, die men zomtijds op de bladen der planten in het voorjaar of in de zomer vind [1778; WNT].
Leenvertaling van Duits Mehltau ‘meeldauw’, samenstelling van → dauw en een eerste lid dat later volksetymologisch geassocieerd is met → meel, maar dat, gezien de overlevering in de andere Oudgermaanse talen en de jongere synoniemen ne. honey-dew, mnl. honichdauw en mhd. honectou, wrsch. een oud Indo-Europees woord voor ‘honing’ is.
Os. milidou; ohd. militou (nhd. Mehltau); oe. meledeaw (ne. mildew), < pgm. *miliþ-dawa- ‘meeldauw’. Nzw. mjöldagg [1731; SAOB] en nde. mel-dug zijn net als het Nederlandse woord leenvertalingen uit het Duits. Het eerste lid als simplex alleen in got. miliþ ‘honing’.
Pgm. *miliþ- is verwant met: Latijn mel (genitief mellis, zie ook → mousse); Grieks méli (genitief mélitos; zie ook → marmelade); Oudiers mil, Welsh mel; Armeens mełr; Albanees ë; Hittitisch milit; alle ‘honing’, < pie. *meli-t (IEW 723).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

meeldauw [plantenschimmel] {1666} < hoogduits Mehltau < oudhoogduits militou, vgl. oudengels meledeaw, middelnederlands honichdau; het 1e lid verwant met gotisch miliþ, latijn mel, grieks meli, oudiers mil [honing] (vgl. mousse). Voor het 2e lid vgl. dauwworm.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

meeldauw znw. m., eerst na Kiliaen, maar toch zeker een oud woord, vgl. os. milidou, ohd. militou (mhd. miltou, nhd. meltau), oe. meledeaw, mil(e)deaw (ne. mildew), nzw. mjöldagg. — Het 1ste lid kan het woord idg. *melit ‘honig’ zijn, hetgeen gesteund wordt door mnl. honichdau, mhd. honectou. Minder waarschijnlijk is een samenhang met meel, al vertonen de jongere vormen, dat men daarmee verband gevoeld heeft.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† meeldauw znw., niet mnl. of bij Kil. Toch een oud woord blijkens ohd. militou (o.?) ‘aerugo’ (hd. mehltau m.), ags. meledêaw, mildêaw m. o. ‘honigdauw’. Met het oog op het synonieme honigdauw, een sedert het Mnl. Mhd. voorkomende samenst., is er grond om in het eerste lid een woord voor ‘honig’ te zien dat aan got. miliþ (zie honig) beantwoordt. Voor het tegenwoordig taalgevoel is het meel.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

meeldauw m., + Ohd. militou (Mhd. miltou, Nhd. mehltau), Ags. meledéaw (Eng. mildew): het eerste lid is *mili = honig + Go. miliþ + Arm. melr, Gr. méli, Lat. mel, Oier. mil = honig.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

meeldou s.nw.
1. Plantsiekte gekenmerk deur 'n witterige bedekking op die oppervlak van die aangetaste dele veroorsaak deur verskillende swamme, of sodanige witterige bedekking op plante. 2. Bedekking op of verkleuring van bv. materiaal, leer of papier, veral deur swamme onder vogtige omstandighede veroorsaak.
In bet. 1 uit Ndl. meeldauw (1666). Bet. 2 het in Afr. self ontwikkel.
Ndl. meeldauw uit Hoogduits Mehltau wat deur volksetimologie ontstaan het uit Oudhoogduits militou, waarvan die eerste lid o.a. verwant is aan Latyn mel, Grieks meli en Oudiers mil wat 'heuning' beteken. Die plantsiekte is oorspr. so genoem omdat die bedekking wat daarmee gepaardgaan klewerig is soos heuning en aan dou herinner. Omdat die bedekking egter 'n witterige poeier is, het dit ook aan meel herinner, en vandaar die volksetimologiese verandering wat die woord ondergaan het.
D. Mehltau, Eng. mildew.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Meeldauw: fijne, witachtige stof als meel of fijn gepoederd zout er uitziende, die in ’t voorjaar of in den zomer de bladeren van linden, enz. bedekt, ook honingdauw genoemd; zij ontstaat door zwammen. Sommigen zien in meel verwantschap met het Got. milith = honing; vgl. Lat. mel = honing; anderen denken aan meel, dus: meelachtige dauw.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

meeldauw ‘plantenschimmel’ -> Papiaments mildou ‘plantenschimmel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

meeldauw plantenschimmel 1666 [Claes] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal