Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

meel - (gemalen graan)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

meel zn. ‘gemalen graan’
Mnl. mele ‘gemalen graan, meel’ [1240; Bern.], meel.
Os. melo; ohd. melo (nhd. Mehl); ofri. mele (nfri. moal); oe. melu (ne. meal); on. mjöl (nzw. mjöl); < pgm. *melwa- ‘meel’, afleiding met ablaut van de wortel van → malen.
Verwant met: Oudkerkslavisch melvo ‘graan dat gemalen moet worden’; Albanees miell ‘meel’.
Als de zemelen zijn verwijderd, spreekt men meestal van → bloem 2.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

meel* [gemalen graan] {mele, meel 1201-1250} oudsaksisch, oudhoogduits mĕlo, oudfries mĕle, oudengels mĕlo (engels meal [meel, maaltijd]), oudnoors mjǫl, ablautend bij malen2.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

meel znw. o. mnl. mēle, os. melo, ohd. melo (nhd. mehl), ofri. mele, oe. melo, meolo (ne. meal), on. mjǫl uit grondvorm *melwa-. — Een ail. van malen.

Bij J. van Ginneken, Taaltuin 4, 1935-6, 141 een taalkaart van meel.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

meel znw. o., mnl. mēle o. = ohd. mëlo (nhd. mehl), os. mëlo, ofri. mële, ags. mëlo, meolo o. (eng. meal), on. mjǫl o. “meel”, germ. *melwa-. Ablautend met malen I. Dezelfde bet. “meel” hebben ook andere afll. van denzelfden wortel: kymr. blawd, lit. míltai, alb. mieł (= germ. *melwa-).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

meel. Kil. vermeldt als nevenvorm mael, die thans in Overijsel en Drente bekend is. Dit is geen oude ablautsvariant, maar een jonge, onder invloed van malen opgekomen vorm.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

meel o., Mnl. mele, Os. mel + Ohd. melo (Mhd. mel, Nhd. mehl), Ags. melo (Eng. meal), Ofri. mele, On. mjǫl (Zw. mjöl, De. mel), vertoont den normalen graad van den wortel van malen (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

maal II meel (Kampen, Drente). = nl. meel, hgd. mehl ‘id.’. ofri. mele ‘id.’, ono. mjol ‘meel’, fri. moal, moël ‘id.’. Vgl. voor de aa (en oa, ): Schiermonnikoogs staole ‘stelen’, laoze ‘lezen’, bråke ‘breken’. Mogelijk Fries substraat of invloed van malen.
OT IV 141, Sassen 71, Spenter 60-62, WNT XXVII 376.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Malen, van den Germ. wt. mal (ook mol, mel) = fijn maken; verwant zijn: molen, molm, meel, mul; ook malen = 1°. draaien (als een molen), bijv. maalstroom, en 2°. zaniken: voortdurend draaien als een molen; ook 3°. mijmeren: over iets malen = zijn gedachten om één punt laten draaien. Eveneens: iemand in de maling nemen = om hem in een kring heen draaien en hem bespotten. – Malen in de bet. van schilderen, zie Maal.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

meel ‘gemalen graan’ -> Negerhollands meel, mil ‘gemalen graan’; Berbice-Nederlands meli ‘gemalen graan’; Arowaks meli ‘gemalen graan’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † mil ‘gemalen graan; maaltijd’ <via Negerhollands>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

meel* gemalen graan 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal