Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mast - (varkensvoer)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mast2* [varkensvoer] {ma(e)st 1477} behoort bij mesten, mest.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mast 2 znw., m. ‘eikels en beukenoten als varkensvoer’, mnl. mast ‘varkensvoer’, mnd. ohd. mhd. nhd. mast, oe. mæst (ne. mast). — Germ. *masta- gaat terug op idg. *mazdo, vgl. oi. mēdas n. ‘vet’, mēdana- o. ‘mesting’, mēdyati ‘vet worden’. Oorspronkelijk had dit betrekking op het vetmesten van varkens met eikels, vgl. oiers māt (< *mazdā) ‘varken’. — Zie: mesten 2.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

mesten II (vetmesten), mnl. mesten (ook = “vet worden”). = ohd. mesten (nhd. mästen), mnd. mesten, ags. mœstan “mesten”. Van mnl. mast (m.?) “voer”, speciaal “varkensvoer” (nnl. mast), ohd. mhd. mast m. v. o. (nhd. mœst v.), mnd. mast, ags. mœst m. (eng. mast) “id.”. Verwant is wsch. oi. médas- “vet” (idg. *mazdos-), misschien ook ier. mât (“mazdâ-) “varken”. Ook oi. mástu-”zure room” kan verwant zijn; wellicht zijn idg. mas-t- en maz-d- formantische varianten. Ook gr. mazós “vrouwelijke borst” en andere woorden worden vergeleken. De combinaties worden al te vaag als wij al deze woorden bij een idg. wortel mad- gaan brengen (vgl. daarover bij moes).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

mesten o.w. (vetmesten), Mnl. id. + Ohd. mesten (Mhd. id. Nhd. mästen), Ags. mæstan, denom. van mast = voer, mesting + Ohd. mast, Nhd. id.), Ags. mæst (Eng. mast) + Skr. medas = vet, Oier. mát = varken.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

mast 2, zn.: varkensvoer; lendestuk van het varken. Mnl. mast ‘voedsel, varkensvoer’. Ohd. mast, Mhd. mast ‘voeder’, Oe. mæst, E. mast ‘varkensvoer’. Hierbij hoort het ww. mesten vet maken’, masten ‘vetmesten’, D. mästen, verwant met Oind. médas- ‘vet’. Germ. mast, Idg. *mazdos-.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

mast III voedsel (Hageland, Haspengouw). = mnl. mast ‘id.’, = hgd. mast ‘vetmesten’, = eng. mast ‘varkensvoer’ ~ oind. mēdas ‘vet’. Grondwoord v. mesten ‘vet maken’.
WNT IX 292-193.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mast* varkensvoer 1477 [Teuth.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal