Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

marmer - (fijnkorrelig kalkgesteente)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

marmer zn. ‘fijnkorrelig kalkgesteente’
Onl. in de afleiding marmorīn ‘marmeren, van marmer’ [ca. 1100; Will.]; mnl. marmer ‘glanzende steen’ [1240; Bern.], naast marber, marbel, in beslegen ... in enen diren marbelstene ‘gesloten in een tombe van kostbaar marmer’ [1265-70; CG II], van marbre van cedre van goude ‘van marmer, van cederhout, van goud’ [1285; VMNW]; vnnl. marmer [1599; Kil.].
Ontleend aan Latijn marmor ‘glanzende steen’, dat ontleend is aan Grieks mármaros ‘steen, rotsblok’, een afleiding van márnasthai ‘vergruizelen, verpletteren’, maar door volksetymologische associatie met marmairein ‘glanzen’, marmáreos ‘glanzend’, ontwikkelde zich de betekenis ‘glanzende steen’. De Middelnederlandse vorm marber (nog Vlaams marber) is ontleend aan Oudfrans marbre [ca. 1050; TLF], dat met de fonetisch gemakkelijke verwisseling van -m- > -b- is ontstaan uit Latijn marmor. De vorm marbel (nog Vlaams marbel) wordt gewoonlijk door dissimilatie van de tweede -r verklaard, maar -l- en -r- zijn ook vanzelf al gemakkelijk verwisselbaar.
Grieks márnasthai ‘vergruizelen, verpletteren’ is verwant met marasmós ‘het wegteren, het voorbijgaan’ en verder met: Oudnoords merja ‘verbrijzelen’; Latijn mortārium ‘vijzel, mortel’ (zie → mortel); Sanskrit mrṇáti ‘vergruizelt; pakt, rooft’; < pie. *merh2-, *mrh2- ‘vermalen, vernietigen’ (LIV 440). Zie ook → vermorzelen.
In vele dialecten komt marmel, marbel nog voor met de betekenis ‘knikker’, oorspr. ‘marmeren knikker’, in het Brabants en West-Vlaams zelfs marbol, marmbol door associatie met bol. Ook in Noord-Franse dialecten marbre ‘knikker’, Duits Marmel, Mormel, Murmel ‘knikker’ en Engels marble ‘knikker’. Vergelijkbare woorden zijn dialectisch lavoren, lavoor ‘knikker’, oorspr. ‘ivoren knikker’, uit Frans l'ivoire, en West-Vlaams labat ‘knikker’, oorspr. ‘albasten knikker’, uit Oudfrans (a)labastre.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

marmer [kalkgesteente] {1201-1250} < latijn marmor [marmer] < grieks marmaros [rotsblok, stuk steen, vervolgens fraaie steen, marmer]; het middelnederlands marber was ontleend aan frans marbre.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

marmer znw. o. kort voor 1500 < lat. marmor; vgl. mnl. marber, maerber, merber en marbel < fra. marbre. Uit marmer ontstond door dissimilatie marmel en verder vormen als marvel, murvel, mulver (dial.) ‘knikker’. Vgl. ohd. marmul, murmul > nhd. marmel ‘knikker’. — Lat. marmor > gr. mármaros dat behoort bij maraínein ‘fijnwrijven’, vandaar eerst ‘rotsblok’, terwijl de bet. ‘marmer’ ontstond onder invloed van gr. marmaírein ‘glanzen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

marmer znw. o. Kort voor 1500 ontleend uit lat. marmor. Mnl. marber (maerber, merber) en met dissimilatie marbel o. (nog dial.: Antw. marbel, merbel m.) is afkomstig van fr. marbre, dat zelf door dissimilatie uit lat. marmor ontstaan is. De onveranderde lat. vorm komt mnl. ook voor. Uit marmer ontstond marmel, dat evenals marvel, murvel, mulver e.a. vormen dial. “knikker” beteekent. Evenzoo staat naast ohd. marmul (nhd. marmel) m. “marmer” een kort voor 1500 ontleend nhd. marmor m. “marmer”, terwijl andere nhd. vormen speciaal “knikker” beteekenen. Eng. marble “marmer” komt uit het Fr. In ’t Ags. komen marma, marbra m., marm(an)-stân m. voor, laat-on. marmari en met dissimilatie malmari m. “marmer”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

marmel, marmer m. resp. o., rechtstreeks uit Lat. marmor + Gr. mármaros = witte steen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

marbel, merbel, melber, meulber, marmel, malver, melver, zn.: marmer. In de Vlaamse dialecten (en ook in Asse) betekent marbel ook ‘knikker’. Mnl. marbel, marber ‘marmer’. Met dissimilatie uit Fr. marbre < Lat. marmor. Vgl. E. marble, dat eveneens ook ‘knikker’ betekent. Vgl. lavoor. Melber/melver door metathesis uit merbel > mervel.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

marmer (Latijn marmor)

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

marmers. - Naar fr. marbres, hetzij voor marmeren kunstvoorwerpen, hetzij voor marmersoorten. || Een paar natuurgroote teekeningen naar marmers van het Parthenon, ROOSES, Op Reis 278. ’k Heb, twee honderd uren van Vlaanderenland, Het huis mijner moeder gevonden: Van buiten bekleedde ’t een kunstenaarshand Met marmers, die de eer er van konden, JANSSENS, Ged. 36.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

marmer ‘kalkgesteente’ -> Indonesisch marmer ‘kalkgesteente’; Boeginees maremâré ‘kalkgesteente’; Jakartaans-Maleis marmer ‘kalkgesteente’; Madoerees marmar, bāto marmar ‘kalkgesteente’; Makassaars marámâr, marámârá ‘kalkgesteente’; Menadonees marmar ‘kalkgesteente’; Soendanees marmĕr ‘kalkgesteente’; Papiaments marmer ‘kalkgesteente’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

marmer kalkgesteente 1240 [Bern.] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal