Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mark - (grens)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

mark zn. ‘grensgebied, landstreek’
Onl. marka, gelatiniseerd marca, marcha ‘grensstreek’ [675 en 751-775; ONW], ‘aan het markgenootschap toebehorende gronden’ [1200; ONW]; mnl. marc, marke ‘begrensd, afgebakend gebied’ in frantsoise stichten ... umb uore marke burge uiere ‘de Fransen staken de burchten in ons gebied in brand’ [1220-40; VMNW], marke ‘grens, grensmarkering’ [1240; Bern.], in alle marchen ende lande ‘in alle landstreken en landen’ [1265-70; VMNW], ‘onverdeeld land, eigendom van de gemeenschap die er woont’ in een hoeve landts, die gelegen is in der marc ten Weyen [1335; MNW], ook de vorm merc, merke, in westwairts tot die mercken ‘westwaarts tot de grensmarkeringen’ [1434; MNW]; zie ook → markgraaf.
Erfwoord, dat oorspr. ‘(grens)teken’ betekende en in de meeste Germaanse talen bij overdracht ‘gebied dat afgebakend wordt door grenstekens, district’, maar anderzijds ook algemener ‘teken ter markering’. Uit die laatste betekenis ontstond ‘merkteken, waarmerk’, zie → merk, en ook ‘gewichtsteken, gewichtseenheid’ en bij overdracht ‘staaf edelmetaal met gewichtsteken, gewaarmerkte munt’, waaruit de naam van verschillende middeleeuwse munteenheden voortkwam, ook de naam van de vroegere Duitse munteenheid Mark. Het is ook mogelijk dat de betekenis van de Proto-Indo-Europese wortel, ‘afscheiden’, reeds leidde tot zowel de betekenissen ‘grens’ en ‘district’ als tot ‘teken ter markering’, ‘waarmerk’ en ‘gewichtseenheid, munteenheid’.
Os. marka ‘grens’ (mnd. mark ‘district’ en ‘merkteken’); ohd. marca, marha ‘grens, district’ (mhd. marc, marke ‘half pond zilver of goud’, nhd. Mark ‘district’ en ‘munteenheid’, Marke ‘merk’); oe. mearc, merc (ne. mark ‘startstreep; doel’ en ‘merk’; via Oudfrans march ‘grensgebied’); ofri. merke ‘grens’, merk ‘gewicht’ (nfri. mark ‘grens, grensakker’, merk ‘merkteken’); on. mörk ‘bos; gewichtseenheid’ (nzw. mark), mark ‘merkteken’; got. marka ‘grens’; < pgm. *markō- ‘grens’, afleiding van *mark- ‘segment, afgescheiden deel’.
Pgm. *markō- is verwant met Latijn margō ‘rand, grens’, zie → marge; Oudiers mruig ‘grensstreek’; Welsh bro < *mrogi- ‘streek, regio’; Perzisch marz ‘landstreek’; < pie. *morǵ-/mroǵ- ‘grens, gebied’ (IEW 738).
Het Germaanse woord is ontleend in het Frans en Italiaans, zie → markant en → markies 1.
Lit.: Boutkan 2005, s.v. merk

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mark1* [grens] {oudnederlands marka 901-1000, middelnederlands ma(e)rke, merke [grens, gebied, gemeenschap op het platteland, de grond daarvan]} oudsaksisch marka, oudhoogduits marha, oudfries merke, oudengels mearc, gotisch marka [grens], oudnoors mǫrk [bos (vaak een grens)]; buiten het germ. latijn margo [zoom], oudiers mruig [grens, gebied], welsh bro [gebied], perzisch marz [gebied].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mark 1 znw. v. ‘vereniging van personen die gronden in onverdeelde eigendom bezitten’ (Oosten van ons land), eig. ‘grens, grensgebied’, mnl. marke ‘grens, grenspaal, grensland, gebied in gemeenschappelijk bezit’, onfrank. os. marka, ohd. marha, ofri. merke, oe. mearc, got. marka ‘grens’, on. mǫrk (mv. merkr) ‘grenswoud’. — lat. margo ‘rand’, oiers mruig, bruig (< *mrogi) ‘mark, landschap’, kymr. bro ‘gebied, district’, gall. volksnaam Allo-broges, av. marǝzu ‘grens’ (IEW 738). — Uit het germ. > ital. marca, fra. marche ‘grens, grensland’ (> ne. march ‘grens’). — Zie ook: breugel.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

mark 1 v. (teeken), Mnl. marc, Os. *mark (naar ’t werkw. markon) + Mhd. marc (Nhd. marke), Ags. mearc (Eng. mark), On. mark (Zw. márke, De. merke) + Lit. margas = bont. Is homon. en misschien ook, met de bet. grensteeken, verwant met mark 2. Ging in ’t Rom. over (Fr. marque), wat later echter dan mark 2.(Fr. marche). — z. ook merk.

mark 2 v. (grens, grensstreek), Mnl. marke, Os. marka + Ohd. marcha (Mhd. marke, Nhd. mark), Ags. mearc, On. mark (= woud, daar wouden veelal de grenzen vormden, Zw. en De. mark). Go. marka + Zend merəza = grens. Lat. margo (Fr. marge) = rand, Oier. mruig = mark. Ging in ’t Rom. over: Fr. marche (z. mark 1).

mark 3 v. en o. (gewicht, munt), Mnl. marc + Mhd. marc, marke (Nhd. mark), Ags. marc, On. markr = half pond zilver; bij mark 1, met bet. gewichtteeken. Ging in ’t Rom. over: reeds 9e eeuw Mlat. marca.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

mark 'grens, afgebakend gebied'
Onl. marca, merc 'grens, grensland, afgebakend gebied, dorpsgebied', mnl. ofri. marchi, merki 'gebied', os. marka 'grens, gebied', ohd. marha, oe. mearc, got. marka 'grens', on. mork 'grenswoud'. Betekende oorspronkelijk 'herkenningsteken', later 'grens(markering)' en vervolgens het gebied binnen de markering. Een bijzondere inhoud kreeg het woord als term voor de eerste plaatselijke gemeenschappen met een eigen markeorganisatie, en ontwikkelde de gebiedsaanduidende betekenis zich tot 'onverdeelde, gemeenschappelijke gronden'. Oudste attestaties in plaatsnamen: 786-787 kopie 13e eeuw in pago Hugumarchi (Humsterland, gebied in het westen van Groningen1), 792-793 kopie 1170-1175 in Rotherimarca (ligging onbekend, in het noorden van de Veluwe)2, waarschijnlijk ca. 825-842 kopie 1150-1158 in Rochingere marcha (ligging onbekend, misschien bij Dokkum)3, 1025 kopie 18e eeuw ad Merclede, (→ Markluiden)4 en 1176 kopie 15e eeuw sita in parrochia Wynterswich in villa que dicitur Marca (ligging onbekend, bij Winterswijk)5.
Lit. 1Künzel e.a. 1989 193, 2Idem 306, 3Idem 303, 4Idem 242, 5Idem 241.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

mark ‘grens’ -> Frans marche ‘grens; grensgewest’ Frankisch.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mark* grens 0792-793 [Künzel]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

mereg̑- ‘Rand, Grenze’

Npers. marz ‘Landstrich, Mark’; lat. margō, -inis ‘Rand, Grenze’ (*merg̑-ōn-, -en-); air. mruig, mir. bruig (*mrogi-) ‘Mark, Landstrich’, cymr. corn. bret. bro ‘Bezirk’, brogae Galli agrum dicunt (Schol. zu Juvenal VIII 234), gall. PN Brogi-māros, VN Allobroges (= urnord. alja-markiR ‘Ausländer’) u. dgl.; got. marka f. ‘Grenze’, ahd. marc(h)a ‘Grenze, Grenzland’, ags. mearc ds., aisl. mǫrk f. ‘Grenzland, Wald’ (*morg̑ā), aisl. landa-mark n., ags. gemearc n. ‘Grenze, Grenzstrich, Abgrenzung, Definitio’ (*morg̑om), wahrscheinlich auch anord. mark n. ‘Zeichen, Kennzeichen’, mhd. marc(h) n. ‘Marke, Kennzeichen’, nhd. merken (auch Mark als Geld, eigentlich wohl ‘Merkstrich am Gewicht’).

WP. II 283 f., WH. II 39 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal