Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

mare - (bericht)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

mare zn. ‘bericht’
Onl. māri ‘bericht; roem’ in nu uernemet thiu maara ‘aanhoor nu de berichten’ [ca. 1100; Will.], auor thiu maara minero gratiae ‘maar de roem van mijn genade’ [ca. 1100; Will.]; mnl. mare ‘bericht’ [1200; VMNW].
Os. māri ‘gerucht, verhaal’ (mnd. mēre); ohd. māri ‘bericht, verhaal’ (mhd. mære, nhd. Mär(chen), waaruit wrsch. nfri. mear ‘sprookje’); ofri. mēre ‘bericht’; oe. mǣre ‘verklaring’; < pgm. *mērija-, het zelfstandig gebruikte bn. *mērija- ‘groot, vermaard’. Voorts ohd. mārī (mhd. mære) ‘roem, bericht’ < pgm. *mērīn- en got. mereins ‘verkondiging’ < pgm. *mērijani-, beide afgeleid van het ww. pgm. *mērijan- ‘verkondigen, vertellen’, een afleiding (causatief) van het bovengenoemde bn.
Verwant met: Grieks -mōros ‘vermaard’ (bijv. in enkhesí-mōros ‘beroemd door het speerwerpen’); Oudkerkslavisch -měrŭ ‘id.’ (in persoonsnamen als Vladiměrŭ). Daarnaast ablautend met: Gallisch -mārus (in persoonsnamen), Oudiers mār, mōr ‘groot’, Middelwelsh mawr ‘id.’. Deze vormen worden meestal afgeleid van een wortel pie. *meh1-, moh1- ‘groot, aanzienlijk’ (IEW 704), waarop met een ander achtervoegsel ook → meer 2 en → meest teruggaan. Misschien is dit dezelfde wortel als *meh1- ‘meten’ (zie → meter 1), waarbij ‘groot’ = ‘aan de maat’.
Net als in het Slavisch en het Gallisch is ook in het Oudnederlandse taalgebied al vroeg een persoonsnaam geattesteerd waarin deze woordstam voorkomt, namelijk *Mērowech (gelatiniseerd Merovechus), letterlijk ‘vermaarde strijder’. Mērowech heerste omstreeks 460 over een van de koninkrijkjes van de westelijke (Salische) Franken. Hij was de naamgever van het koningsgeslacht der Merovingen en grootvader van Chlodowīg (Frans Clovis), die het Frankische rijk in Gallië vestigde.
Het gebruik van het woord mare moet al in de middeleeuwen sterk zijn teruggelopen. In het Middelnederlands en daarna is het vrijwel alleen overgeleverd in dichterlijke taal, terwijl het schrijftaalkarakter van het woord ook blijkt uit de bewaard gebleven slot-e. Bekend is nu vooral nog de uitdrukking de mare gaat ‘er wordt gezegd’. In de andere Germaanse talen is het woord sinds het eind van de middeleeuwen (nagenoeg) niet meer geattesteerd. Het Duitse Mär(chen) is echter na een sluimerend bestaan in streektalen aan het eind van de 18e eeuw tot nieuw leven gewekt in de literaire taal en heeft vervolgens zijn huidige betekenis ‘sprookje’ gekregen door toedoen van de gebroeders Grimm.
Zie ook → vermaard ‘beroemd’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

mare1* [bericht] {mare, maer [roem, gerucht, bericht] 1200} middelnederduits, oudfries mere, oudhoogduits mari [bericht], bij middelnederlands mare, oudsaksisch, oudhoogduits mari, oudengels mære [beroemd], oudnoors mærr; buiten het germ. oudiers mór [groot], oudrussisch -měrŭ (in de persoonsnaam Volodiměrŭ, russisch Vladimir) [beroemd].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

mare 1, maar znw. v., mnl. mâre v. ‘vermaardheid, gerucht, tijding, vermaarde gebeurtenis’, mnd. mēre v. o. ‘verhaal, bericht, gerucht’, ohd. mārī v. (nhd. mähre) naast māri o. ‘gerucht, bericht’, ofri. mēre o. ‘tijding’. — Gevormd van het bnw. mnl. mâre ‘beroemd, vermaard, roemvol, bekend’, os. ohd. māri, oe. mœ̄re, on. mœ̄rr, got. mērs ‘beroemd’. — Gr. -mōros in PN., oiers mōr, mār ‘groot’, gall. PN. Segomārus, Viridomārus. — Volgens IEW 704 afgeleid van idg. * mē-, mō-’groot, aanzienlijk’, waarbij nog behoort meer 2.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

mare, maar znw., mnl. mâre v. “vermaardheid, gerucht, tijding, lawaai (zelden), vermaarde gebeurtenis”. = ohd. mârî (nhd. märe) v. naast mâri o. “gerucht, bericht”, mnd. mêre v. o. “verhaal, tijding, bericht, gerucht”, ofri. mêre o. “tijding”. Gevormd van het bnw. mnl. mâre “beroemd, vermaard, geëerd, roemvol, bekend”, ohd. os. mâri, ags. mæ̂re, on. mæ̂rr, got. mers “beroemd” (en verwante bett.); reeds vroeg bekend uit in lat. bronnen overgeleverde germ. eigennamen op -mêrus, -mêris. Verwant met slav. -měrŭ in oud-slav. Vladiměrŭ — tenzij dit -měrŭ uit het Got. ontleend is — en met ier. môr, mâr “groot”, gr. (enkhesí-)mōros “met de speer groot, beroemd”. Zonder r-formans ier. môa “grooter”. Vgl. meer II. Hoogst onzeker is de gelijkstelling van deze basis mê-, mô- met de basis van maaien en met idg. amê-”vatten, samenvatten”, waarvan o.a. ohd. munt “hand” enz. (zie echter mondig), on. æ̂s v. “gat in ’t schoenleer, waardoor de riem getrokken wordt”, lat. amplus “ruim”, gr. ámē “emmer”, lit. ąsà “hengsel, strik”, opr. ansis “haak”, arm. aman “vat”, oi. ámatra- “id., kan” worden afgeleid.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

mare 1 v. (tijding), Mnl. id., gelijk Ohd. mâri (Mhd. mǣre, Nhd. märe): afgel. van het adj. *maar = blinkend, zuiver, beroemd. Mnl. mare, Os. mâri, Ohd. id. (Mhd. mæ̀re), Ags. mære, On. mǽrr, Go. mers + Gr. -mōros = beroemd, Oier. mór = groot, Osl. mérŭ = beroemd (als in Vladimérŭ = Waldemar); misschien verwant met meer 2.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

1mare s.nw. Ook maar.
1. Tyding. 2. Treurige verhaal vol klagtes en verskonings. 3. Gerug.
Uit Ndl. mare (al Mnl.).
Vgl. TREURMARE.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

mare: – maar (veral i. digk.) – , nuus, tyding; roem; Ndl. maar/mare (Mnl. mare, “gerug; vermaardheid”), Hd. mähre, “berig; gerug”, Got. mērs, “beroemd”, kom in baie Ogerm. eien. voor, hou verb. m. vermaard(heid) en leef ook nog voort in nagmerrie (q.v.) en treurmare.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Mare (tijding), oorspr. het zelfstandig geworden bijv.nw., dat in het Ohd. mari, Got. mers = beroemd, bekend beteekende, evenals ’t Gr. mooros = beroemd; vgl. ons vermaard. Vgl. ’t Mnl.: „Die niemare (dit nieuws, deze tijding) sal lopen ende werden mare” (= bekend). In ’t Oud-iersch is mar, mor: aanzienlijk, groot, en dit schijnt de stamvorm van onzen comparatief: meer (Os. me-ro, verwant met het Lat. ma-jor = de grootere).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

mare* bericht 1100 [Willeram]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

mē-4, mō- ‘groß, ansehnlich’

Positiv mē-ro-s, mō-ro-s: gr. -μωρος in ἐγχεσί-μωρος ‘groß (?) im Speerwerfen’ u. dgl., air. mōr (das ō aus dem Komparativ), mār ‘groß’, cymr. mawr ‘groß’, bret. meur ds., gall. -māros in Eigennamen wie Nerto-māros (‘groß an Kraft’); mit ē ahd. -mār in Namen wie Volk-mār usw., ferner das Denominativ germ. *mērjan ‘*als groß darstellen, rühmen’, woraus ‘künden’: got. mērjan, as. mārian, ahd. māren, anord. mǣra ‘verkünden’, wozu nhd. Mär, Märchen u. dgl., sowie das postverbale Adj. ahd. as. māri ‘berühmt, glänzend’, ags. mǣre, anord. mǣrr ds., got. waila-mēreis ‘von gutem Ruf’;
slav. -měrъ in Namen wie Vladi-měrъ;
mō-lo- in cymr. mawl ‘Lob’, moli ‘loben’ (daraus air. molur ‘lobe’), bret. meuliff ds.;
Komparativ *mē-i̯es, -is, bzw. (mit der Tiefstufe des Superlativs) mǝ-i̯es, mǝ-is: air. māu, daraus móu, mó (aus *mǝ-i̯ōs); cymr. mwy, corn. moy, bret. mui ‘mehr’ aus *mēis; eine Abstraktbildung auf urkelt. -antī (*mantī aus ma-antī) in air. mēit ‘Größe’, acymr. pamint gl. ‘quam’, ncymr. maint ‘Größe’, corn. myns, mbret. nbret. ment; vielleicht osk. mais (*mǝ-is-) Adv. ‘mehr’, maimas ‘maximae’ (wohl aus *mais[e]mo-), GN Maesius ‘Maius’, umbr. mestru f. ‘maior’ (aus *maisterā); got. mais ‘magis’, maiza ‘maior’, maists ‘maximus’, aisl. meir(i) ‘mehr’, ags. , māra, mǣst, as. mēr, mēro, mēst, ahd. mēr, mēro, meist; apr. muisieson Adv. ‘mehr’ (muis aus*mā-is-); toch. A mǝnt ‘wie’, В mantǝ ‘so’ (= air. méit?).

WP. II 238, 292, WH. II 14.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal