Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

manen - (herinneren aan)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

manen 2 ww. ‘aansporen, herinneren aan’
Onl. manon ‘aansporen’ in thie manon wir thes, thaz sie ‘die sporen we aan dat ze ...’ [ca. 1100; Will.]; mnl. manen ‘aansporen, herinneren aan, berispen’ in dv sente Seruas [di] godis knegte gemanet hadde ‘toen Sint-Servaas de dienaren Gods aangespoord had’ [1200; VMNW], mar alse ne de mester drie wareuen gemand heuet ... te bliuene ‘maar als de meester hem driemaal aangespoord heeft om te blijven’ [1236; VMNW], alse scepnen werden ghemaent ... dat si ... ualsc uonnesse hebben ghedaen ‘wanneer de schepenen worden berispt omdat zij een verkeerd vonnis hebben geveld’ [1237; VMNW].
Os. manōn (mnd. manen); ohd. manōn, manēn (nhd. mahnen); ofri. monia, mania (nfri. moanje); oe. (ge)monian; alle ‘aansporen, manen, herinneren aan e.d.’, < pgm. *manōn-, *manēn-.
Verwant met: Latijn monēre ‘vermanen, herinneren aan’ (zie → monitor, → monster 1, → monument); Sanskrit mānáyati ‘hij eert, hij acht’; < pie. *mon-eie-, causatief bij de wortel *men-/mon-/mn- ‘denken’ (LIV 435), waarbij verder o.a. horen: Gotisch man ‘ik denk, ik meen’ (preterito-presens); Latijn meminisse ‘zich herinneren’, memor ‘denkend aan, zich herinnerend’ (zie → memo); Grieks ménos ‘wilskracht, moed’, maínesthai ‘razen, gek worden’ (zie → manie); Sanskrit mányate ‘hij denkt’; Avestisch maṇta ‘denken aan’; Litouws manýti ‘denken’, minė́ti ‘onthouden, gedenken’, miñti ‘gedenken’; Oudkerkslavisch mĭněti ‘denken aan, geloven’ (Russisch vero. mnit' ‘menen’). Wrsch. is ook → min 1 ‘liefde’ verwant. Enkele nominale afleidingen zijn: pie. *mn-tí-, zie → mentaal; pie. *mén-os, zie → mentor; pie. *mendh-, zie → monter.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

manen3* [herinneren aan] {1201-1250} oudhoogduits manen, oudsaksisch manon, oudfries monia, oudengels manian, oudnoors muna [gedenken, zich herinneren]; buiten het germ. latijn monēre [herinneren aan, vermanen], grieks mimnèskein [gedenken], litouws minėti, oudkerkslavisch mĭněti [menen], oudiers -moiniur [ik meen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

manen 2 ww., mnl. mānen ‘iemand aan iets herinneren, manen, smeken, ontbieden, invorderen, vermanen, berispen’, os. manon, ohd. manēn, manōn (nhd. mahnen), ofri. monia, oe. monian. — Lat. moneō, causatief bij de idg. stam *men ‘denken’, vgl. oi manayati ‘eren’, av. mąnayen ‘men zou kunnen menen’, lit. manýti ‘verstaan’. — Op andere klanktrap mnl. vermōnen ‘aansporen, gewagen van ‘ (Leendertz Jr. Ts. 38, 1919, 315), os. farmunan ‘niet denken aan, verzuimen’, oe. munan ‘herinneren, menen’, on. muna ‘zich herinneren’, got. munan ‘menen, denken’, vgl. verder oi. mányate ‘denkt’, av. mainyeite ‘denkt’, gr. mémona ‘herinner mij, heb lust, verlang’, mimnēiskō ‘herinneren’, lat. memini ‘ik herinner mij’, oiers do-moiniur ‘geloof, meen’, lit. menù, minti ‘gedenken’, osl. mĭnjǫ, mĭněti ‘menen’, hitt. me-im-ma-i (= memmai) ‘zegt’ (IEW 726-728). — Zie ook: man, min 1 en monter.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

manen II ww., mnl. mānen “iemand aan iets herinneren, aanmanen, smeeken, plechtig vragen, ontbieden, invorderen, vermanen, berispen”. = ohd. manên, manôn (nhd. mahnen), os. manon, ofri. monia, ags. monian in dgl. bett. Laat on. mana “aanmanen” is ontleend uit ’t Mnd. ’t Germ. ww. is identisch met lat. moneo “ik vermaan”. Vgl. ook ier. huanaib muintib “a monitis”. Idg. monêi-, moneje- is een causatiefstam van men(ê)- (-êi-) “denken”; met andere bet. dan “vermanen” vgl. lit. manaũ, manýti “begrijpen, denken”, av. mąnayǝn “men zou kunnen meenen”; oi. mânáyati “hij eert” is denominatief. Van de basis men(ê)- komen verder o.a. got. munan “meenen, denken”, on. muna “zich herinneren”, munu “zullen, willen”, ags. munan “zich herinneren, meenen”, os. far-munan “niet denken aan, verzuimen”, got. muns m. “gedachte”, on. munr m. “geest, wensch enz.”, ags. myne m. “id.” en de bij min I besproken woorden, buiten ’t Germ. vgl. Ier. do-muinethar “hij meent”, lat. memini “ik herinner mij”, mens “geest”, gr. ménos “id.”, mémona “ik verlang, heb zin” (op de reduplicatie na = got. on. man, ags. mon), mimnḗskō “ik breng te binnen”, obg. mĭnją, mĭněti “meenen”, lit. menù, miñti “denken aan, zich herinneren”, oi. mányate, manuté “hij denkt”. Zie nog monter, ook man.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

manen II ww. Ier. huanaib mûintib is wegens de û niet rechtstreeks met lat. moneo en manen te vergelijken. Wel idg. o heeft kymr. gofuno ‘beloven, wensen’.
Dezelfde vocaalphase als got. munan enz. heeft mnl. vermōnen ‘aansporen, gewagen van’; vgl. P.Leendertz Jr. Tschr. 38, 315.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

manen 3 o.w. (herinneren), Mnl. id., Os. manon + Ohd. manôn (Mhd. manen, Nhd. mahnen), Ags. manian, Ofri. monia, On. mana (Zw. id., De. mane), Go. praeterito-praes. munan): Germ. wrt. men + Skr. wrt. man = denken, Gr. mi-mnḗ-skō = ik gedenk, Lat. monere = vermanen, memini = ik gedenk, mens = zin, Oier. -moiniur = ik meen, Osl. mĭněti, Lith. min͂ti = denken: Idg. wrt. men = herinneren, vermanen (z. menen).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

manen ww.: waarschuwen. Gents en Wvl. manen ‘uitnodigen, m.n. tot een begrafenis’. Ndl. manen ‘aanmanen, aansporen’. Mnl. manen ‘herinneren aan, oproepen, ontbieden’. Ohd. manôn, Mhd. manen, D. mahnen, Os. manon, Oe. (ge)monian, Ofri. monia, On. muna ‘zich herinneren’. Verwant met Lat. monere ‘herinneren aan, vermanen’, Gr. mimnêskein ‘gedenken’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

manen (G), ww.: uitnodigen, m.n. tot een begrafenis. Ook Wvl. Betekenisvariant van Ndl. manen 'aanmanen, aansporen'. Mnl. manen 'herinneren aan, oproepen, ontbieden'. Ohd. manôn, Mhd. manen, D. mahnen, Os. manon, Oe. (ge)monian, Ofri. monia, On. muna 'zich herinneren'. Verwant met Lat. monere 'herinneren aan, vermanen', Gr. mimnêskein 'gedenken'. Afl. maander.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

manen 1, ww.: ontbieden, uitnodigen, m.n. tot een begrafenis; (ook) bezweren. Betekenisvariant van Ndl. manen ‘aanmanen, aansporen’. Mnl. manen ‘herinneren aan, oproepen, ontbieden’. Ohd. manôn, Mhd. manen, D. mahnen, Os. manon, Oe. (ge)monian, Ofri. monia, On. muna ‘zich herinneren’. Verwant met Lat. monere ‘herinneren aan, vermanen’, Gr. mimnêskein ‘gedenken’. Afl. maander (K) ‘man die van huis tot huis ging om iemands overlijden mee te delen en voor de uitvaartplechtigheid uit te nodigen’.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

maan III: aanspoor; waarsku; Ndl. manen (Mnl. manen), Hd. mahnen, hou verb. m. Lat. monēre, “dink, laat dink, herinner aan; berispe”.

Thematische woordenboeken

H. Beem (1975), Resten van een taal: woordenboekje van het Nederlandse Jiddisch, Assen

maanen menen; nhd. meinen.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Manen, van den Idg. wt. men = denken; manen is dus: doen denken, herinneren. Verwant is: meenen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

manen ‘herinneren aan’ -> Deens mane ‘bezweren, aanmanen tot’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors mane ‘aansporen, aanmanen, oproepen’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds mana ‘aansporen’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands maan ‘herinneren aan’; Papiaments † maan ‘aansporen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

manen* herinneren aan 0701-800 [Lex Salica]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

men-3 ‘denken, geistig erregt sein’, erweitert menǝ- : mnā- und mnē-, menēi- : menī-, Nominalbildungen: men-men- n., menos- n., men-ti-, men-tu-, moni-, mn̥-ti-, mn̥-to- ‘Sinn, Gedanke’, men-ter- ‘Denker’

Ai. mányatē ‘denkt’, av. mainyeite ds., ap. mainyāhay (idg. *men-i̯-o-, = gr. μαίνομαι ‘rase’, air. -muiniur, slav. mьnjǫ ‘meine’, s. unten), ai. Perf. ma-mnē, mēnē; manāy-ati ‘ist eifrig’, manā-уú- ‘eifrig, fromm’, manī-sā́ ‘Weisheit, Verstand; Andacht, Gebet’ (*menēi- : menī-); ai. manutē ‘denkt’; mánati ‘erwähnt’ (= lit. menù, poln. -mionę, čech. -menu); ai. mānáyati ‘ehrt’, (: lit. ìš-monis ‘Verstand’), av. mąnayǝn ‘man könnte glauben’; Supin. ai. mántum, Partiz. Perf. matá- ‘gedacht’ (= gr. αὐτό-ματος, lat. commentus, lit. miñtas, air. dermat);
von der ā-Basis (= gr. μνᾱ-): ai. mnātá- ‘erwähnt’; mnāyátē ‘wird erwähnt’;
ai. mánas-, av. manah- n. ‘Sinn’ (= gr. μένος); ai. durmanā́s (= δυσμενής); ap. Haxā-maniš Ἀχαιμένης ‘von Freundessinn beseelt’; ai. mánman- ‘Sinn, Gedanke’ (= air. menme); mantár- ‘Denker’ (= gr. Μέντωρ, lat. commentor); múni- m. ‘Begeisterter, Seher (vgl. μάντις), Asket’; mántra- m. ‘religiöse Formel’, av. mąθrō ds.;
ai. su-mná- n. ‘Wohlwollen’; ai. matí-, máti-, av. -maiti- ‘Sinn, Gedanke, Meinung’ (= lit. mintìs, abg. pa-mętь, got. ga-munds, lat. mēns), woneben auch ai. manti- ‘denken’ (= got. ana-minds); mántu- ds.; abhi-māti- f. ‘Nachstellung’ (*-mn̥̄t-i-);
arm. i-manam ‘verstehe’ (*menā-mi, vgl. unten ahd. manōn);
gr. μέμονα (μέμᾰμεν; μεμᾰώς, mit metr. Dehnung μεμᾱώς) ‘gedenke, habe Lust, verlange’ (Präteritopräs. wie lat. meminī, unredupl. got. man), Imper. Perf. μεμάτω (= lat. mementō); αὐτό-ματος ‘aus sich selber herausdenkend und handelnd’; μαίνομαι ‘bin verzückt, rase’ (= mā́nyatē usw.), Aor. ἐμηνάμην, ἐμάνην, Perf. μέμηνα; vgl. μανίᾱ ‘Raserei’, μάντις ‘Seher’, μαινάς, -άδος ‘die Verzückte’, μαινόλης, -ολίς ‘rasend’;
von der Basis auf ā-: Perf. μέμνημαι (dor. -ā-) ‘bin eingedenk’, Präs. μιμνῄσκω (äol. μιμναίσκω) ‘erinnere’, Med. ‘erinnere mich’, Fut. μνήσω; μνάομαι ‘erinnere mich’ in hom.μνωόμενος, μνώοντο; μνῆσις f. ‘Erinnerung’, μνήμων ‘eingedenk’, μνῆμα, dor. μνᾶμα ‘Erinnerungszeichen, Grabmal’; μένος n. (= ai. mánas-) ‘Mut, Zorn’; μενοινάω ‘habe im Sinn, habe vor’, μενοινή ‘Wunsch’, auf Grund eines Subst. *μενώ(ι) (vgl. den Frauennamen Μενωί, Μενώ und die Ableitung Μενοίτης, Μενοίτιος); μῆνις, dor. μᾶνις ‘Groll’ (*μνᾶνις?); vgl. oben S. 693;
alb. mund, mënd ‘kann’ (*mn̥-dh-);
lat. meminī ‘erinnere mich, bin eingedenk’ (: gr. μέμονα; vgl. osk. memnim ‘monumentum, memoriam’); von der Basis auf (: -ēi) minīscitur ds., comminīscor ‘erinnere mich’; mēns, -tis ‘Sinnesart, Gemüt, Denkvermögen, Vernunft’ (aus *mn̥ti-, s. oben ai. matí- usw.), mentiō ‘Erwähnung’ (= air air-mitiu), Denom. mentior, -īrī ‘lügen’ (vgl. apr. mēntimai ‘wir lügen’ d. i. ‘Ersonnenes vorbringen’, vgl. z. Bed. noch commentum ‘Erdichtung, Plan’, zum Partiz. commentus ‘ersonnen’, und lit. pra-manýtas ‘erdichtet, falsch’); Kaus. moneō ‘mahne’ (= lit. iš-manýti, dehnstufig ai. mānáyati), monitor m. ‘Mahner’, monumentum ‘Erinnerungszeichen’, mōnstrum ‘Mahnzeichen, Ungeheuer’ (*mone-strom), mōn-strāre ‘anzeigen’, usw.;
air. do-moiniur ‘glaube, meine’ (= μαίνομαι, ai. mányate, mit -mo- aus -ma-) und viele andere Komposita; Simplex in ro-mēnair ‘er hat überlegt’, dia-ru-muinestar ‘für die er bestimmt hat’; mito-Stufe (vgl. moneō) abret. guo-monim gl. ‘pollicēri’; air. cuman, cuimne (= mcymr. covein) ‘Erinnerung’, cymr. co-f (*kom-men) ds.; air. menme (= ai. manman-) ‘Geist, Sinn’; air. dermat ‘Vergessen’ (*-mn̥to-), airmitiu (*are-menti̯ō) ‘honor’, usw.;
got. *man, munum (Inf. munan, Prät. munda) ‘meinen, glauben’ (Prät.-Präs. wie μέμονα, meminī, μέμνημαι), ga-munan ‘sich einer Sache erinnern’, aisl. muna ‘gedenken, sich erinnern’, munu, mono ‘beabsichtigen, werden’, ags. mon, man ‘(ge)denke’, as. far-munan (Prät. -munsta) ‘nicht gedenken, verleugnen’; got. schw. V. munan (3. Sg munaiþ, Prät. munaida) ‘gedenken (zu tun), μέλλειν’ (munaiþ aus *menēi̯-eti = ai. manāy-ati, vgl. menē- in:) ahd. firmonēn ‘verachten’ (und slav. moněti, lit. minė́ti, sowie - wenn alt - gr. μανῆναι); o-stuf. ahd. as. manōn, ags. manian ‘mahnen’ (ahd. manōt 3. Sg. = lit. mãno ‘versteht’, vgl. reduktionsstufig arm. i-manam ‘verstehe’ aus*menāmi); got. muns m. ‘Gedanke, Meinung’, aisl. munr ‘Sinn, Verlangen, Lust’, ags. myne ‘Erinnerung, Verlangen, Liebe’, as. muni-līk ‘lieblich’ (= ai. múni-); got. ana-minds ‘Verdacht’ (= ai. mantí-), ga-minþi n. ‘Andenken’, aisl. minne ‘Erinnerung’, ahd. as. minn(e)a ‘Liebe, Minne’ (*minþjā, *mindjā); got. ga-munds, ags. ge-mynd, ahd. gi-munt ‘Andenken, Gedachtnis’ (= ai. matí- usw.);
lit. menù (= wslav. *-menǫ, ai. mánati), miñti ‘gedenken’, red.-stuf. miniù, minė́ti ( : ahd. firmonēt usw.) ‘ds., erwähnen’, lett. minêt ds., ablaut. lit. manýti ‘verstehen’; dehnstufig ìš-monis ‘Verstand’; lit. mintìs ‘Gedanke’ (= ai. matí- usw.); mẽnas m. ‘Kunst’; prà-mintas ‘benannt’; apr. mēntimai ‘wir lügen’;
aksl. mьnjǫ (mьniši), mьněti ‘meinen’, ро-mьněti ‘gedenken, sich erinnern’, pamętь ‘Gedenken’; toch. A mnu ‘Denken’, В mañu ‘Verlangen’;
hitt. me-im-ma-i (memmāi) ‘sagt’, falls aus *memn- oder *men-? Vgl. Benveniste BSL. 33, 140, Pedersen Hitt. 116, Bonfante Lg. 17, 205 ff.

WP. II 264 ff., WH. II 65 ff., 68 ff., 107, 109 f., Trautmann 180 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal