Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

manchet - (boord aan een mouw)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

manchet zn. ‘boord aan een mouw’
Vnnl. manchetten ‘(weelderige) boorden bij een mouw’ [1687; WNT kant II]; nnl. de mouwen eindigen in een lange zwarte manchet [1891; Groene Amsterdammer].
Ontleend aan Frans manchette ‘linnen versiering rond de pols, aan de mouw genaaid’ [1551; Rey], eerder ‘mouw’ [1193; Rey], verkleinwoord van manche ‘mouw’ [ca. 1150; Rey], ontleend aan Latijn manica ‘lange mouw (tot over de pols) van de tunica’, een afleiding van manus ‘hand’, zie → manuaal.
De manchet hing aanvankelijk los uit de mouw en werd om de mouw heen geslagen om deze te beschermen tegen vuil en slijtage. Tegenwoordig is de manchet meestal een vast deel van de mouw van een overhemd.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

manchet [handboord] {1772} < frans manchette, verkleiningsvorm van manche < latijn manica [lange mouw van de tunica tot over de hand reikend, handschoen, handboei], van manus [hand] (vgl. mancipatie).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

manchet znw. v., in de 18de eeuw < fra. manchette, verkleinwoord van manche ‘mouw’ < lat. manica.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

manchet znw. In de 18. eeuw ontleend uit fr. manchette, demin. van manche “mouw” (< lat. manica).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

mansjet: gestyfde los handboordjie; Ndl. (18e eeu) manchet uit Fr. manchette, dim. v. manche, “mou”, uit Lat. manica, “mou; armband”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

manchet ‘handboord’ -> Indonesisch mansét ‘handboord; manchetknopen; pakking, ring’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

manchet handboord 1731-1735 [WNT Bijv.+verb.] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1469. Iemand de manchetten aandoen,

d.w.z. iemand de handboeien aandoen; vgl. Woordenschat, 688: manchetten (mil.), handboeien; Dievenp. 170: Om 'm op zijn verhaal te laten komen lieten we 'm nog even uitstoomen vóór ie de manchetten aan kreeg; Slop, 66: 't Liefst deed hij (de politie) hem dadelijk de handmanchetjes aan; bl. 84: Zonder dat hij er nog aan dacht, lagen de boeien, de lieve, aardige ijzeren manchetten, al om zijn handen. Vgl. Rabben, die Gaunersprache, 88: Manschetten, Handschellen; daher Manschetten haben, in angst zitten (vgl. Kluge, Studentenspr. 106). Syn. van manchetten is paternosters (vgl. reeds Kiliaen, 853: pater nosters, duym-ijsers, manicae: nodi et vincula quibus manus constringuntur; Halma, 499: paternosters, handboeijen; Sewel, 633: paternoster, handboei; hy was gepaternosterd, he was manacled. Dit ww. komt eveneens voor in Amst. 95. Ook braceletten wordt, evenals het fr. bracelet, in dezen zin gebezigd; Köster Henke, 11; Nkr. II, 26 Jan. p. 2; 3; Nierstrasz, 44: Ga nu maar netjes meê, dan mag je los loopen, anders doen we je de braceletjes aan, dat weet je wel.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal