Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

majesteit - (titel van een keizer(in) of koning(in))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

majesteit zn. ‘titel van een keizer(in) of koning(in)’
Mnl. majesteit ‘heerlijkheid, pracht’ in suverheit, die sat in haer majesteit ‘Zuiverheid was op haar troon gezeten’ [1350-1400; MNW-R], majesteit ‘God’ in ende si blasphemeren de majesteit ‘en zij lasteren God’ [1384-95; MNW-P], majesteit als titel in onser conincliker majesteit ‘van onze koninklijke majesteit’ [1460-80; MNW-R], ook in de vorm majestaet [1480; MNW-P].
Ontleend aan Oudfrans majested [1118; Rey], majestet [1120; Rey] (Nieuwfrans majesté [1365; Rey]), ontleend aan Latijn māiestās (genitief -ātis) ‘hoogheid; majesteit’, afgeleid van maius ‘groter’, zie → majoor. Voor de uitgang -teit naast Frans -té zie → faculteit. De in de 15e en 16e eeuw voorkomende nevenvorm majestaet gaat rechtstreeks terug op het Latijn.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

majesteit [heerlijkheid] {maiesteit 1573} < frans majesté < latijn maiestatem, 4e nv. van maiestas [verhevenheid, waardigheid, aanzien], van maius, o. van maior [groter, rijker, belangrijker, edeler], vergrotende trap van magnus [groot, belangrijk, verheven, aanzienlijk] (vgl. majoor, majuskel). In het middelnl. kwam ook voor majestaet {1400?} dat direct uit het lat. was geleend.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

majesteit znw. v., mnl. majesteit, majestaet. Terwijl de 1ste vorm < fra. majesté zal de 2de uit lat. majestate ontstaan zijn.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

majesteit znw., reeds mnl. Uitfr. majesté (< lat. mâiestâs). Mnl. majestaet m. zal wel een vervorming onder invloed van staet zijn; of uit lat. mâiestâs, -âtis?

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

majesteit v., uit Fr. majesté, van Lat. majestatem (-tas), afleid. van *majes, een der stamvormen van major (z. meier).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

majesteit (Frans majesté)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

majesteit ‘heerlijkheid’ -> Negerhollands majesteit ‘heerlijkheid, opperhoogheid van God’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

majesteit heerlijkheid 1573 [Plantijn] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal