Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

magnolia - (geslacht van sierbomen en -heesters (familie Magnoliaceae))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

magnolia zn. ‘geslacht van sierbomen en -heesters (familie Magnoliaceae)’
Nnl. magnolia ‘magnolia’ [1771; Chomel].
Ontleend aan Neolatijn magnolia, een geslacht van bomen en heesters dat door de botanicus Charles Plumier in 1703 vernoemd is naar Pierre Magnol (1638-1715), directeur van de botanische tuin te Montpellier, een naam die door Linnaeus is overgenomen.
Lit.: Backer 2000

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

magnolia [plantengeslacht] {1831} < modern latijn magnolia; Linnaeus benoemde het geslacht magnolia naar Pierre Magnol (1638-1715), directeur van de botanische tuin te Montpellier.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

magnolia znw. v., sedert de 18de eeuw; genoemd naar de franse plantkundige Pierre Magnol (1638-1715).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

magnolia s.nw.
Enigeen van verskeie bome of struike met opvallende, lelieagtige, wit, geel, ligroos of pers blomme.
Uit Eng. magnolia (1748) of Ndl. magnolia (1831).
Eng. magnolia en Ndl. magnolia uit moderne Latyn magnolia, met lg. gevorm na Pierre Magnol (1638 - 1715), professor en direkteur van die botaniese tuin te Montpellier.
D. Magnolie (18de eeu), Fr. magnolia.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

magnolia: pln. (spp. Magnolia, fam. Magnoliaceae); Ndl. en Eng. magnolia (albei sedert 18e eeu), na d. Fr. plantk. Pierre Magnol (1638-1715).

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1993), Eponiemenwoordenboek: Woorden die teruggaan op historische personen, Amsterdam

de magnolia, een uit Azië en Amerika afkomstig boom- en plantengeslacht, door Linnaeus genoemd naar Pierre Magnol [1638-1715], hoogleraar plantkunde en directeur van de botanische tuin te Montpellier.
Voor Nederlanders die hun naam in een plantensoort zagen vereeuwigd, zie achterin dit boek.

C.A. Backer (1936), Verklarend woordenboek van wetenschappelijke plantennamen

Magnólia l. [C. Linnaeus], - genoemd naar P. Magnol (1638, Montpellier; 1715, Montpellier), hoogleeraar en directeur van den bot. tuin te Montpellier, schrijver van verscheidene bot. werken.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

magnolia plantengeslacht 1831 [WNT tulpenboom] <modern Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal