Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

maat - (metgezel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

maat 2 zn. ‘makker’
Vnnl. maet ‘metgezel’ [1546; Naembouck].
Ontleend aan Middelnederduits māt, māte ‘metgezel, makker’, dat door wegval van het voorvoegsel is ontstaan uit *gimato ‘id.’, te vergelijken met Oudhoogduits gimazzo ‘tafelgenoot, metgezel’. Het is met het voorvoegsel → ge- (sub c) afgeleid van Proto-Germaans *mata- ‘eten; voedsel’, waarvoor zie → moes. Engels mate ‘makker’ [ca. 1380; OED] en Hoogduits Maat ‘onderofficier bij de marine’ [begin 18e eeuw; Paul] zijn aan hetzelfde Middelnederduitse woord ontleend. Het zal daarom van origine een zeemansterm zijn geweest.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

maat2* [metgezel] {mate, maet 1546} middelnederduits mat(e), oudhoogduits gimazzo [tafelgenoot], van middelnederlands met [spijs], oudsaksisch mat, oudhoogduits maz, oudfries met, oudengels mĕte (engels meat), oudnoors matr, gotisch mats; maat betekent dus: degene met wie men de tafel deelt, vgl. mes, metworst, voor de betekenisontwikkeling vgl. kameraad, compagnon, kompaan, gezel, genoot.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

maat 2 znw. m. ‘makker’, mnl. blijkens maetschap ‘genootschap; maat, genoot’ bestond het niet overgeleverde maet ‘makker, genoot’, Kiliaen maet, mogelijk, wijl het woord vooral noordoost-mnl. is < mnd. māt, māte m. ‘makker’, vgl. ohd. gimaʒʒo ‘tafelgenoot’, afgeleid van maʒ ‘eten’, waarvoor zie: mes. — Zie ook: maatschappij.

Nhd. maat als ‘hulpje aan boord’ < mnd., waar het sedert 1580 bekend is (Kluge, Seemannssprache 561). — Daarentegen mnl. maat ‘makker’ > ne. mate (sedert ± 1380, vgl. Bense 212).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

maat II (makker). Kil. maet. Mnl. dial. heeft misschien *māte, *maet m. wel bestaan, evenals ’t vooral noord-oostmnl. maetscap (gew. masscap geschreven) v. o. “genootschap, gezel, de gezamenlijke gezellen, club, gemeenschappelijke maaltijd”. Reeds ohd. komt gimaʒʒo m. “tafelgenoot” voor: van maʒ “eten”; zie mes. Aangezien *ghemāte uit ’t Mnl. niet bekend is (terwijl ghenoot meer voorkomt dan noot; zie genoot) en aangezien *māte, maetscap vooral noordoost mnl. is, mogen wij vermoeden dat maat uit mnd. māt, māte m. “makker” ontleend is, vooral in schipperstaal. Evenzoo wellicht eng. (reeds meng.) mate “makker”. Dan ook mnl. maetscap > mnd. (t)schop “genootschap, handels-, drinkvereeniging, gezel”. Voor de etymologie zie mes en moes.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

maat 2 m. (gezel), gelijk Eng. mate, met aphaeresis van praefix ge- + Ohd. gimaʒʒo (Mhd. gemaʒʒe): het tweede lid is een afleid. van Os. mat, Ohd. maʒ, Ags. mete (Eng. meat), Ofri. met, On. matr (Zw. mat, De. mad), Go. mats = spijs + Gr. mástax = voedsel, Lat. mandere = kauwen, Oier. maisse, = spijs: Idg. wrt. mad. Dus maat = spijsgenoot (z. voorts mes, moes, mesten, en voor de aphaeresis van ge: boer,, buurt, gade).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

maat s.nw. Ook mater.
1. Goeie vriend of vriendin, veral iemand met wie 'n kind saamspeel, of metgesel. 2. Ander lid van 'n paar. 3. Metgesel van dieselfde soort. 4. Gelyke, van dieselfde portuur. 5. (as aanspreekvorm) Man, kêrel.
Uit Ndl. maat (nie Mnl. nie, wel Middelnederduits mate, mât) 'iemand met wie 'n mens saameet', onder matrose 'makker, kameraad' (1618 - 1625); 'geliefde, gemaal' (1614); 'jonge kêrel' (assistent op 'n skip, bv. koksmaat) (1622); tans in Ndl. nie om 'n vrou aan te spreek nie, vroeër wel meisje-maat (1678); van toepassing op 'ander beroepsgeselle' (-vennote) (1715); 'makker, vriend' (1723); in sportsoorte 'iemand met wie saamgespeel word'. Eerste optekeninge in Afr. by Pannevis (1880) in die aanhaling 'maat beteekent
in 't byzonder gepaarde, niet alleen wat menschen, maar ook wat dieren en zelfs levenlooze voorwerpe betref', en by Mansvelt (1884) in die aanhaling 'maat heeft naast den meervoudsvorm maats ook dien van maters, welke beide soms ook voor 't enkelv. gebruikt worden, b.v. ik is maters met hom (bij 't spelen)'.
Vanuit vroeë Afr. in S.A.Eng. in die bet. 'sakevennoot' (1824) en vanuit Afr. in S.A.Eng. in die bet. 'vriend, kameraad' (1900) en 'skeepsjonge' (1919).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

II. maatje (lidw.?, -s), (veroud.) 1. vriendin. Meestal eten deze huishoudsters alleen of verzoeken vriendinnen (maatjes) bij zich (Kappler 1854: 23; enige vindpl.). - 2. aanspreektitel voor huishoudster die slavin is. () spreekt men tegen eene huishoudster, nog slavin zijnde, dan noemt men die maatje, vriendin () (Lammens 1822; 1982: 114; enige vindpl.). - Etym.: AN maat, maatje - vriend, kameraad (alleen mnl.). In veroud. AN bestond de aanspreekvorm ’meisjes maat’. Vgl. syn. mati* (1, S). Zie ook matje*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

maat II: mv. maats/maters, “kameraad, makker”; Ndl. maat (Mnl. maetschap, “genootskap”, by Kil maet, “kollega”), Eng. (sedert ± 1380) mate, hou verb. m. Eng. meat in ouer bet. v. “voedsel” – maat was blb. vroeër ong. “tafelgenoot”, vgl. Eng. messmate.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Maat (makker), eig. gemaat (Ohd. gimazzo) van den Germ. wt. mat, Idg. mad = spijzen koken; maat duidt dus aan: spijzen gebruiken, eten, en gemaat: samen etende, spijsgenoot (ge = samen). Zie ook: Kameraad. Afl. zijn: maatschap en maatschappij’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

maat ‘metgezel’ -> Engels mate ‘metgezel, kameraad; partner; stuurman; ambachtsgezel’; Duits Mâtke ‘Nederlandsche schipper’; Duits Maat ‘scheepsmaat’ (uit Nederlands of Nederduits); Deens mat ‘medewerker aan boord’; Noors mat ‘metgezel’; Zweeds mat ‘hulp, kameraad (schip)’; Fins maatti ‘scheepsmaat, scheepsjongen’ <via Zweeds>; Pools mat ‘metgezel, kameraad’ (uit Nederlands of Duits); Zuid-Afrikaans-Engels maat ‘metgezel, partner, vriend’ <via Afrikaans>; Negerhollands māta, maat, maet ‘metgezel, kameraad’; Berbice-Nederlands mati ‘metgezel’; Sranantongo mati ‘vriend, kameraad, goede bekende’; Aucaans mati ‘metgezel’; Caribisch-Engels mattee, mati, matty ‘dikke vriend, (lesbische) vriendin’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

maat* metgezel 1546 [Naembouck]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

mad- ‘naß, triefen; auch von Fett triefen, vollsaftig, fett, gemästet’, mad-do- ‘Mästung’

Ai. mádati, mádate ‘wallen, sprudeln, fröhlich sein’, mā́dyati, mamátti, mándati ds., máda- m. ‘Rauschtrank’ = av. maδa- ‘Rauschtrank, Rauschbegeisterung’, ai. mattá- ‘trunken, freudig, erregt’, av. mad- (maδaitē, maδayaŋha) ‘sich berauschen, sich ergötzen an’; ai. madgú- ‘ein bestimmter Wasservogel, ein Fisch’ = np. māɣ ‘ein Wasservogel’, ai. mátsya- m., av. masya ‘Fisch’ (‘der nasse’; Ableitung von einem -es-St. *mades-); ai. mēdas- n. ‘Fett’, mēdana- n. ‘Mästung’, mēdyati, mḗdatē ‘wird fett’, mēdya- ‘fett’ (mēda- aus *mazda-, idg. *mad-do- oder *mad[e]z-do- und = ahd. mast ‘Mästung’; die spez. Bed. ‘Mästung’ also in dieser Bildung bereits idg.); mástu- n. ‘saurer Rahm’ (*mad-stu-), npers. maskah ‘frische Butter’ (*mad-sk-?); ai. mádya-, madirá- ‘berauschend’;
skyth. Ματόας ‘Donau’, PN Μαδύης, VN Ματυκέται ‘Donauanwohner’;
arm. matał ‘jung, frisch, zart’; macun ‘saure, geronnene Milch’ (*madi̯o- + arm. Suff. -un); macanim, macnum ‘hafte an, gerinne’; weitere iran. Worte für Dickmilch u. dgl., so npers. māst ‘saure Milch’, māsīdan ‘gerinnen’, usw.;
gr. μαδαώ ‘zerfließe, löse mich auf, verliere die Haare’; μαδαρός ‘feucht’; dagegen μαζός ‘Brustwarze’ (= ahd. mast, *madz-dos), μαστός ‘Brust’ (*mad-tós), μασθός ds. (Umbildung nach στῆθος ‘Brust’);
alb. manj (*madni̯ō) ‘mäste’, maim ‘fett’, mazë ‘Rahm, Sahne, Haut auf der Milch’ (*madi̯ā); madh ‘Maismehlbrei’, ablautend modulë, motulë ‘Erbse’, modhë ‘Lolch’;
lat. madeō, -ēre ‘naß sein, von Nässe triefen, reifen, voll sein’, mattus ‘trunken’ (*madi-to-s);
air. maidim ‘breche (intr.), gehe in Stücke’ (eigentlich ‘fließe auseinander, zergehe’, formell = lat. madeō); in-madae ‘vergeblich, ohne Erfolg’ (dazu wohl c. maddeu ‘erlassen, verzeihen’, abret. in madau ‘pessum’; gäl. maistir ‘urina’ (*mad-tri-); mir. māt f. ‘Schwein’ (*māddā ‘Mast-Schwein’);
ahd. mast ‘Futter, Mästung, Eichelmast’, nhd. Mast, Mästung, ags. mæst ‘Buchecker’; got. mats ‘Speise’, aisl. matr m., ags. mete m., ahd. maz n. ds. (nhd. noch in Messer aus ahd. mezzi-rahs), sowie got. matjan ‘essen, fressen’, aisl. metja ‘schlürfen’, ags. mettan ‘füttern’, mnd. mat(e) ‘Kamerad, bes. in der Seemannssprache’ (Maat), ahd. gamazzo ‘Kamerad’, eig. ‘*Essensgenosse’; dazu auch mnd. met ‘Schweinefleisch’, nnd. mett ‘gehacktes Fleisch’ als ‘*saftiges, breiiges Fleisch’, ahd. (eig. ndd.) Mettwurst (aus andd. *matja-); ablautend ags. as. mōs ‘Brei, Speise’, ahd. muos ‘gekochte, bes. breiige Speise, Essen überhaupt’, nhd. Mus, Gemüse (*mādso-).

WP. II 231 f., WH. II 6 f.; Kuiper Nasalpräs. 140.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal