Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

maat - (afmeting)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

maat 1 zn. ‘afmeting’
Mnl. mate ‘maat, meeteenheid, afmeting’ [1240; Bern.], ‘soberheid, gematigdheid’ in want mate es tallen spele ghoet ‘want gematigdheid is in alle gevallen goed’ [1290; VMNW]; vnnl. mate des sangs ‘maat in de muziek, muzikale meeteenheid’ [1573; Thes.].
Mnd. mate; ohd. māza (nhd. Maß, gewest. ‘liter bier’); ofri. mēte (nfri. mjitte); alle ‘maat, meetwerktuig’, < pgm. *mētō- ‘maat’, afleiding met ablaut bij de wortel van → meten.
De betekenis maat ‘vaste tijdsindeling van muziek’ is wrsch. ontleend aan die van Frans mesure ‘id.’ [1375; Rey], algemener ‘maat’.
Met betrekking tot abstracte zaken en begrippen gebruikt men nog de oude vorm mate ‘graad, hoeveelheid’ zonder wegval van de -e: een grote mate van zelfstandigheid ‘veel zelfstandigheid’, in hoge mate zelfstandig ‘zeer zelfstandig’. De betekenis ‘gematigdheid’ is nog terug te vinden in de vaste verbinding met mate ‘gematigd’ en in de afleiding → matig.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

maat1* [afmeting] {mate 1210-1226} middelnederduits mate, oudhoogduits maza, oudfries mete, bij meten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

maat 1 znw. (van meten), mnl. mâte, mnd. māte, ohd. māʒa (nhd. mass), ofri. mēte v. ‘maat, meetwerktuig’. — Zie: meten. Uit het nd. stammen zowel on. māt n. ‘maat’ < mnd. māt als on. māti m., aard, manier’ < mnd. māte ‘maat, aard, manier; passende verhouding’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

maat I (van meten), znw. mnl. mâte v. = ohd. mâʒa (nhd. mass v. o., reeds mhd. zelden mâʒ o.), mnd. mâte, ofri. mête v., alle = “maat, meetwerktuig enz.”. Wgerm. *mâtô-: meten = spraak : spreken. Laat-on. mâti m. “manier, wijze” (de. maade, zw. måtta) komt uit ’t Mnd.; laat-on. mât o. “beoordeeling” (noorw. dial. maat, zw. mått) wordt wel voor oorspr. skandin. gehouden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

maat 1 v. (meting), Mnl. mate + Hgd. masz: van denz. stam als ’t meerv. imp. van meten.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

maot (zn.) maat; Vreugmiddelnederlands mate <1240>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

I. maatje (het, -s), deciliter (100 cc.) als inhoudsmaat voor sterke drank. Vermeldenswaard zijn: 1 vingerhoed* = 1 centiliter en 1 maatje = 1 deciliter. Voor de dubbele hoeveelheden gebruikt men de termen dubbele vingerhoed en dubbel maatje (Enc.Sur. 398). - Etym.: In AN veroud.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

maat I: mv. mate, “afmeting, graad, grootte”; Ndl. maat (Mnl. mate), Hd. mass, hou verb. m. meet; v. ook vermetel.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

maat ‘versmaat’ (bet. van Latijn metrum); ‘afgemeten hoeveelheid’ (bet. van Frans mésure)

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

maatje Een maatje is een inhoudsmaat uit de tijd dat jenever in de tapperijen nog uit het vat en per kan werd verkocht. Op 1 februari 1809 werd de inhoud van een maatje in Nederland officieel vastgesteld op 1/10 liter. Maar ook vóór die tijd was men al gewoon jenever per maatje te tappen. Zo lezen we in 1804 in een pamflet tegen drankmisbruik:

Zoudt gij niet wel één flesch Jenever ’s weeks aan kleine maatjens gebruiken? En die eene flesch kost niet veel minder dan 15 à 16 stuivers aan kleine maatjens uitgeschonken.

Men sprak van halve, hele en dubbele maatjes, eenheden die we ook in de literatuur regelmatig tegenkomen. Zo schreef Justus van Maurik in 1879 in Uit het volk:

Groen[te]boeren enz. staan er in Amsterdam voor bekend, dat ze een geestrijke teug niet versmaden, en menigeen zou zich verwonderen, als er eens een statistiek werd gemaakt van de glaasjes, halve en heele maatjes, fusten en okshoofden Schiedammer, die alleen aan de groenmarkt worden verbruikt.

En in 1881 schreef hij, in een portret van Kobus, de barman van ‘De drie kaantjes’ in Amsterdam:

’s Morgens als ik den winkel opende, stond gewoonlijk de schoenlapper uit het straatje al op de stoep; die gaf altijd handgeld, — steevast ’n dubbeld maatje, onversneden. ’k Mocht dikwijls zoo tegen hem zeggen: ‘Barend! Barend! jij begint toch wel wat al te vroeg.’ Dan schudde hij zijn hoofd en zei: ‘Je hebt gelijk, Kobus, maar ik kan er niks meer aan doen, nou moet ik ze hebben, anders kan ik geen slag uitvoeren.’ En ’t was waarachtig waar, zijn handen trilden en beefden als een blad. Had hij zijn morgenborreltje gebruikt, dan werd dat zoetjes aan weer beter en ging hij aan ’t werk tot een uur of negen. Dan kwam de jongen met de kruik; die haalde geregeld zeven of acht maatjes al naarmate de knecht ’s middags ook een glaasje kreeg of niet.

Aan het eind van de 19de eeuw vermeldden dialectwoordenboeken maatje in de betekenis ‘druppel, borrel’. In de Zaanstreek werd een ‘maatje (jenever)’ toen ook een tonje of tontje genoemd, dus een ‘tonnetje’. Van Dale kent de borrelnaam maatje sinds 1924. Bij dialectonderzoek in de jaren tachtig is het woord onder meer aangetroffen in Amsterdam, Drente, Gent, Groningen en Hasselt. Onlangs werd het nog gehoord in de Achterhoek. Een verwante term in het Amerikaans-Engels is gage. Dit werd gebruikt voor een eenheid sterke whisky maar was oorspronkelijk een inhoudsmaat. Het Duits kent wel het overeenkomstige Maß, maar dat betekent ‘één liter bier’.
Vergelijk halfje.

[Kingmans 75; Liev.-Coopm. 335, 824; Morgenslokje 8; PJM 55; Schaars 412, 414; Schuermans Bijv. 192; Staelens 286; WNT IX 56, & XVII1 999]

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

maat ‘afmeting; kledingmaat; gematigdheid’ -> Duits dialect Mate, Mat, Mad ‘maateenheid voor percelen’; Deens måde ‘manier; gematigdheid’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors måte ‘gematigdheid’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds måtta ‘gematigdheid’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds mått ‘afmeting’ (uit Nederlands of Nederduits); Ests maht, môôt ‘afmeting’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch emat ‘kledingmaat’; Menadonees mat ‘kledingmaat’; Negerhollands maat, meet, maet ‘afmeting’; Berbice-Nederlands mete ‘afmeting’; Sranantongo mât ‘afmeting’.

maat ‘indeling in de muziek’ -> Fries maat ‘indeling in de muziek’; Indonesisch mat ‘indeling in muziek, tempo’; Menadonees mat ‘indeling in de muziek’; Papiaments mat ‘indeling in de muziek’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

maat* afmeting 1210-1226 [Slicher]

maat* indeling in de muziek 1644 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1454. Met de maat, waarmede gij meet, zal u weder gemeten worden,

ook zoo gij meet, zoo wordt gij gemeten, d.w.z. zooals wij anderen behandelen, zullen wij zelf behandeld worden; het kwaad dat wij anderen aandoen, zal aan ons vergolden worden. Het woord is ontleend aan Matth. VII, 2: Want met welck oordeel ghy oordeelt, sult ghy geoordeelt worden: ende met welcke mate ghy metet, sal u weder gemeten worden; Zeeman, 364; Harreb. II, 50; III, 47; Ndl. Wdb. IX, 627; Villiers, 78; Wander III, 490; vgl. Praet, 1013: Met sulker maten alstu hier meets, so sal men di wedermeten; Campen, 21; Everaert, 97; De Brune, 130: Met de mate die ghy meet zult ghy daer naer oock zijn besteet; Brederoo I, 77, vs. 2161: Soo ick Alphonsus mat, soo werd ick weer ghemeten; fr. de la mesure dont vous mesurez les autres vous serez mesurés; hd. mit dem Masze wie ihr messet, soll euch wieder gemessen werden; eng. with what measure ye mete, it shall be measured to you again.

1455. Met twee maten meten,

d.w.z. partijdig zijn, gelijksoortige personen of zaken verschillend beoordeelen. Het schijnt dat deze zegswijze eerst in de 19de eeuw voorkomt. Zie Ndl. Wdb. IX, 627; De Tijd, 16 Jan. 1914, 2de bl. p. 1 k. 1: Er is te Zabern en te Straatsburg reeds genoeg gemeten met twee maten. Tegenover de militairen alle mogelijke clementie - tegenover de burgerlijke elementen alle mogelijke gestrengheid. In het Antw. Idiot. 1885: Twee maten en twee gewichten hebben, verschillend handelen volgens de personen; fr. avoir deux poids et deux mesures.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

med-1 ‘messen, ermessen’, mēdos- ‘Ermessen’; mē̆d- ‘Arzt’

A. Ai. masti- f. ‘das Messen, Wägen’ (*med-tis, mit im isolierten Wort nicht rückgängig gemachtem Wandel von d-t zu s-t-?);
ob auch ai. addhā́ (*m̥d-dhē) ‘sicher, fürwahr’, av. apers. azdā ds., ai. addhātí- ‘Weiser’ mit der Bed. von lat. meditāri usw.? s. Pedersen Decl. lat. 72;
arm. mit (Gen. mti) ‘Gedanke, Sinn’ (: μήδεα usw.);
gr. μέδομαι ‘bin worauf bedacht’, μέδων, μεδέων ‘Walter, Herrscher’, μέδιμνος ‘Scheffel’; dehnstufig μήδομαι ‘ersinne, fasse einen Beschluß’, μήδεα Nom. Pl. ‘Sorge, Ratschlag’, μήστωρ, -ωρος ‘kluger Berater’, PN Πολυ-μήδης, Κλυται-μήστρα;
lat. meditor, -ārī ‘worüber nachdenken’, modus ‘Maß, Art und Weise’, modestus ‘maßvoll, bescheiden’, moderāre ‘mäßigen’ (enthalten ein neutr. *medos, aber wohl auch ein mask. *modos), modius ‘Scheffel’, umbr. meřs, mers ‘jus’ (*med-os-), mersto ‘justum, legitimum’, osk. med-diss ‘judex’ (*medo-dik̑-s) usw.;
air. midiur, Perf. ro-mīdar (: gr. μήδομαι, got. mētum, arm. mit) ‘cogito, judico’, airmed ‘Maß’, mess ‘judicium’ (*med-tu-), med (*medā) ‘Waage’, cymr. meddwl ‘animus, mēns, cōgitatiō’, mcymr. medu ‘imstande sein, beherrschen’, cymr. meddu ‘besitzen’ (zahlreiche ir. Komposita bei Pedersen KGr. II 577 f., britische Bildungen bei J. Loth RC. 35, 446; 38, 177, 296; 40, 347 ff., 350 f.; Ifor Williams RC. 40, 486; J. Lloyd-Jones RC. 43, 272); medd ‘inquit’ usw.;
got. mitan, ags. metan, ahd. mezzan ‘messen’, aisl. meta ‘schätzen’, met n. ‘Gewicht’, ags. ge-met n. ‘das Messen’, Adj. ‘angemessen’, ahd. mez ‘Maß, Trinkgefäß’, ags. mitta m. ‘Getreidemaß’, ahd. mezzo ‘kleineres Trockenmaß’, nhd. Metze(n); got. mitōn, ahd. mezzōn ‘ermessen, bedenken’, aisl. mjǫtuðr ‘Schicksal’, as. metod m. ‘Messer, Ordner, Schöpfer’, ags. metod m. ‘Schicksal’, got. mitaþs ‘(Trocken)maß’;
ē-stufig (außer Pl. Prät. got. mētum usw.) got. us-mēt ‘Lebensführung’, aisl. māt n. ‘das Abschätzen’, mhd. māz n. ‘Maß, Art und Weise’, ahd. māza ‘Maß, Angemessenheit, Art und Weise’, aisl. mǣtr ‘ansehnlich, wertvoll’, ags. gemǣte ‘angemessen’, ahd. māzi ds.;
ō-stufig: got. ga-mōt ‘finde Raum, habe Platz, Erlaubnis, darf’, ags. mōtan ‘Veranlassung haben, können’ (engl. must ‘müssen’ aus dem Prät.), as. mōtan ‘Platz finden, Veranlassung haben, sollen, müssen’, ahd. muoz, muozan ‘können, mögen, dürfen’, nhd. müssen; mnd. mōte ‘freie Zeit, Frist’, ahd. muoza ‘freie Zeit, Aufmerksamkeit, Gelegenheit zu etwas’, nhd. Muße; ags. ǣ-metta, ǣmta, aus *ā-mōtiða f. ‘Muße’, wovon ǣm(e)tig = engl. empty ‘leer’; aisl. mōt n. ‘Bild, Zeichen, Art, Weise’;
got. mōta ‘Zoll’, mhd. muoze ‘Mahllohn’, ags. mōt ‘Zoll, Abgabe’ (‘*Zugemessenes, abzuliefernder Anteil’); wohl aus dem Got. stammen ahd. (bair.) mūta, nhd. Maut, mlat. mūta, abg. myto.
B. Eine schon ursprachliche Anwendung für ‘klug ermessender, weiser Ratgeber = Heilkundiger’ liegt vor in: av. vī-mad- ‘Heilkundiger, Arzt’, vī-maδayanta ‘sie sollen die Heilkunde ausüben’, gr. Μῆδος, Μήδη, Ἀγαμήδη usw. ‘Heilgottheiten’; lat. medeor, -ērī ‘heilen’, medicus ‘Arzt’ (mit Sekundärformans -icus vom Subst. *mē̆d ‘Arzt’ = av. vī-mad abgeleitet).

WP. II 259 f., WH. II 54 ff., 99 f.; med- ist verwandt mit mē-3 (oben S. 703 f.).

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal