Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

maarschalk - (hoogste rang aan het hof en in het leger)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

maarschalk zn. ‘hoogste rang aan het hof en in het leger’
Onl. marscalk wrsch. ‘ambtenaar van (de bisschop van) Utrecht’ in de beroepsnaam van Giselberto Marscalco [1155; Debrabandere 2003] en in het toponiem [Ma]rescalkerwerth ‘Maarschalkerweerd (Utrecht)’ [1159; Künzel]; mnl. marscalc ‘stalknecht, paardenverzorger’ [1240; Bern.], marscalc ‘vorstelijk ambtenaar’ [1285; VMNW], den marscalch vanden lande van vtrecht ‘(bisschoppelijk) ambtenaar van het land van Utrecht’ [1289; VMNW], maerscalc van vlaendren ‘ambtenaar van (de graaf van) Vlaanderen’ [1292; VMNW]; vnnl. maarschalk ‘hoofdofficier, legeraanvoerder’ [1626; WNT].
Samenstelling van Proto-Germaans *marha- ‘paard’, zie → merrie, en *skalka- ‘dienaar’, zie → schalk.
Mnd. marschalk ‘opperstalmeester, ruiteraanvoerder’ (waaruit door ontlening nzw. marskalk); ohd. marahscalc ‘paardenknecht, stalmeester’ (nhd. Marschall). Het woord is uitsluitend continentaal-West-Germaans. Me. mareschal (ne. marshall) is ontleend aan het Frans.
De oorspr. betekenis is ‘paardenknecht’. In het Frankische rijk gaat het woord vervolgens ook hogere functies aanduiden, van ‘stalmeester’ via ‘hofbeambte belast met de zorg voor de paarden en stallen’ tot hoge ambtenaar of militair. Het woord is uit het Germaans overgenomen in het middeleeuws Latijn als mariscalcus, waaruit Italiaans mani-/mariscalco en Frans maréchal. In het Frans ontwikkelde zich later o.a. een militaire betekenis ‘hoofdofficier, officiersrang boven die van generaal’ [1213; Rey]. Het Nederlands nam deze betekenis in de 17e eeuw over, waarna deze al snel de historische betekenissen verdrong. Voor een afleiding van Frans maréchal, zie → marechaussee.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

maarschalk* [opperstalmeester] {in de gebiedsnaam Marescalkerwerth, nu Maarschalkerwijk (Utr.) 1159, ma(e)rsc(h)alc [hoefsmid, paardendokter, koninklijk ambtenaar die toezicht houdt op de stallen, de legertros e.d.] 1201-1250} het eerste lid is middelnederlands mare, marie, merie [paard] (vgl. merrie), voor het tweede lid vgl. schalk1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

maarschalk znw. m., mnl. maerscalc, marscalc ‘stalknecht, hoefsmid, paardenarts, ambtenaar met toezicht op de legertros en legering, bisschoppelijk ambtenaar met de hoogste jurisdictie’, mnd. marschalk, ohd. marahscalc ‘paardenknecht’, samengesteld uit germ. *marha- ‘paard’ (waarv. zie: merrie) + schalk. Reeds in de mnl. betekenissen wordt het stijgen van de functie tot uitdrukking gebracht. Uit het Germ. stammen ital. mariscalco, fra. maréchal, ‘hoogste officiersrang’ (daaruit ook het gebruik van nnl. maarschalk en nhd. marschall) zowel als mlat. comes stabuli, ofra. conestable, nfra. connétable ‘opperstalmeester; stadscommandant’, waaruit weer ne. constable ‘politieagent’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

maarschalk znw. Mnl. ma(e)rscalc m. = “stalknecht, hoefsmid, paardenarts, ambtenaar die toezicht op legertros, legering enz. houdt, bisschoppelijk ambtenaar die de hooge jurisdictie uitoefent”. De oorspr. bet. van mnl. maerscalc = ohd. marahscalc, mnd. marschalk m. is “paardenknecht” (vgl. voor ’t eerste lid merrie, voor ’t tweede schalk). Verschillende andere bett. (ook de nnl. van “generaal”) zijn zoowel in ’t Du. als in ’t Ndl. onder invloed van fr. maréchal opgekomen, dat op nhd. marschall ook wat den vorm betreft heeft geïnfluenceerd en waaruit eng. marshal is ontleend. Dit fr. woord (= mlat. mariscalcus, it. mariscalco) komt zelf weer uit het Germ.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

maarschalk m., Mnl. maerscalc + Ohd. marahscalc (Mhd. marschalk) = paardeknecht, staloverste (z. merrie en z. schalk). Ging in ’t Rom. over: Fr. maréchal, van waar Nhd. marschall.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

marsjal (zn.) maarschalk; Aajdnederlands marscalk <1155> < Frans maréchal.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

marsjal, zn.: kwant, snaak. Uit Fr. maréchal, Ndl. maarschalk < Frankisch *marhskalk, letterlijk ‘paardenknecht’, waarvan de betekenis over ‘stalmeester, aanvoerder van ruiterij’ tot ‘militair bevelhebber’ evolueerde. De zorg voor de paarden bracht een andere betekenis mee, nl. ‘hoefsmid’, Fr. maréchal-ferrand. Zie ook marsjesee.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

maarskalk s.nw. (in verskeie weermagte, maar nie in S.A. nie)
Opperoffisier met die hoogste militêre rang, hoër as 'n generaal en dikw. opperbevelhebber van een van 'n land se strydmagte of van sy totale weermag, of rang van so 'n persoon.
Uit Ndl. maarschalk (al Mnl.), 'n samestelling van Mnl. mare, marie, mere 'perd' en scalc 'dienaar, kneg'. Die woord het oorspr. 'stalkneg, hoefsmid, koninklike amptenaar met toesig oor die leër se voertuie en trekdiere' beteken, waarna 'hoë amptenaar' en 'offisier van hoë rang'.
D. Marschall, Eng. marshal, Fr. maréchal.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

massaal (B), masjaal (Haasdonk, Kallo, Verrebroek), matsjaal (Vrasene), zn. m.: hoefsmid, paardensmid. Door assimilatie rs/ss < marsaal < Fr. maréchal (-ferrant) 'hoefsmid'. Vgl. de familienamen Marsal, Masscha(e)le. Fr. maréchal < Frankisch marhskalk 'paardenknecht, stalknecht'. Het eerste lid is nl. maar 'paard' (in merrie). De samenstelling ging vervolgens 'hoefsmid' betekenen, maar ook 'aanvoerder van ruiterij' en 'officier, maarschalk'. Zie ook masjesee.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

maarskalk: hoogste offisiersrang; Ndl. maarschalk, soos Eng. marshal, Hd. marschall, Fr. maréchal, in dies. bet. as Afr., maar Mnl. ma(e)rscalc o.a. “hoefsmid, stalkneg; offisier belas m. toesig oor leër se voertuie en trekdiere” (ss. uit Germ. wd. vir “perd” wat nog in merrie (q.v.) voortleef en skalk, “dienaar, kneg”) het uit Germ. in Rom. tale oorgegaan (bv. Fr. maréchal, It. mariscalco) en is in Ll. weergegee deur comes stabuli, “dienskneg v. d. stal”, wu. weer ten slotte konstabel (q.v.).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

maarschalk ‘legerleider’ (Frans maréchal)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Maarschalk, mnl. maerscalc; oorspr. paarden-oppasser, dan ook hoefsmid en paardenarts, dan stalmeester, en in navolging van de Franschen, die uit het germ, het woord als maréchal hadden overgenomen, naam voor den bekleeder van een bepaalden militairen rang, boven dien van generaal. In hofmaarschalk heeft men nog een overblijfsel van de oudere bet. stalmeester, echter gewijzigd in dien zin, dat het opzicht niet over de stallen, maar over de huishouding van den vorst loopt. Maarschalk is gevormd uit maar (= paard, vgl. merrie) en schalk = dienaar.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Maarschalk is letterlijk: paardeknecht; aan ’t eerste lid (Germ. marha) herinnert nog onze vrouwelijke vorm merrie; en schalk (z. d. w.) is oorspr. knecht. Het Fr. nam ’t Germ. woord als maréchal over. Vgl. ’t Mnl.: „Die orsse marscalken” = de paarden beslaan.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

maarschalk ‘(oorspronkelijk) stalknecht, opperstalmeester’ -> Engels marshal ‘hoogste rang van officier, hoofd van politie’ <via Frans>; Frans maréchal ‘stalknecht, opperstalmeester; officier; officier van de cavalerie’ Frankisch; Italiaans maresciallo ‘hoogste rang bij de onderoffieren’ <via Frans>; Maltees marixxall ‘hoogste rang van officier’ <via Italiaans>; Turks mareşal ‘officier met een rang boven die van generaal’ <via Frans>; Koerdisch mareşal ‘hoogste rang van officier, veldmaarschalk’ <via Frans>; Arabisch (MSA) marshāl ‘hoogste rang van officier’ <via Engels>.

maarschalk ‘(moderne betekenis) officier met een rang boven die van generaal’ -> Indonesisch marsekal, marsekalak ‘hoofdluchtmaarschalk’; Soendanees marsĕkalĕk ‘officier met een rang boven die van generaal’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

maarschalk* stalknecht, opperstalmeester 1086 [Rey]

maarschalk officier met een rang boven die van generaal 1626 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal