Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

maanziek - (zenuwziek)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

maanziek* [zenuwziek] {maensiec 1332} vertaling van latijn lunaticus [epileptisch, maanziek], d.w.z. iem. die als het vollemaan is een aanval krijgt; men bracht vroeger in het bijzonder epilepsie in verband met de maanfasen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

maanziek bnw., Kiliaen maensieck, Teuth. maynsieck, evenals Kiliaen maensuchtigh, maenigh en Teuth. maynsuyctich, meensch, vgl. ohd. mānōdsioh, vroeg-nhd. monsüchtig (1522), os. mānuthwendig, oe. mōnaðsēoc, vertalingen van lat. lunaticus ‘telkens bij volle maand uitzinnig’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

maanziek bnw. Kil. maensieck, Teuth. maynsieck, waarnaast in gelijke bet. maynsuyctich, meensch; ook bij Kil. maensuchtigh en maenigh, beide reeds laat-mnl. Evenals synoniemen in andere talen vertaald uit lat. lunaticus, gr. selēniakós “telkens bij volle maan waanzinnig”.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

maanziek bn.: wormstekig. Samenst. met mane ‘made’, zie maai(e) 1.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

maanziek (vert. van Latijn lunaticus)

N. van der Sijs, in: Medisch Contact 60 (2005)

Maanziek
Iemand die wispelturig is en voortdurend van stemming verandert, wordt maanziek genoemd - een echte ziekte is het tegenwoordig misschien niet, maar daar dacht men vroeger anders over. Het woord maanziek is al heel oud, het is al in 1332 vermeld, met als synoniemen maensch, manich en maensuchtich. In de Middeleeuwen duidde men met maanziek een ernstige ziekte aan, een tijdelijke krankzinnigheid die zich onder andere uitte in epileptische aanvallen en slaapwandelen. Het woord is een vertaling van het Latijnse lunaticus, dat ‘epileptisch, maanziek’ betekende en een afleiding was van luna ‘maan’. Men bracht vroeger ziekten, en in het bijzonder epilepsie, in verband met de maanfasen: volgens het volksgeloof vond een aanval van de ziekte plaats tijdens vollemaan, doordat de maan een zinsverbijsterende werking bezat.
Het volksgeloof volgens welke de maan invloed uitoefende op de geest is ook terug te vinden in het woord luim ‘stemming, bui’. Dit woord is waarschijnlijk afgeleid van het Latijnse luna ‘maan’. In het Middelnederlands sprak men van lune, luyne ‘wisselende gemoedstoestand’, in het Duits bestaat nog Laune. De n in luyne is dan in een m veranderd; dit kwam vaker voor, vergelijk pelgrim uit Latijn pelegrinus, peregrinus. Ook kan sprake zijn van invloed van luimen ‘loeren’.
[Nicoline van der Sijs (2005), ‘Maanziek’, in Medisch Contact, jaargang 60, nr. 40, 1608]

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

maanziek ‘zenuwziek’ -> Negerhollands maensiek ‘zenuwziek’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

maanziek* zenuwziek 1332 [HWS]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal