Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

maan - (hemellichaam dat rond de aarde draait)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

maan zn. ‘hemellichaam dat rond de aarde draait’
Onl. māno in untes genuman uuerthe mano ‘totdat de maan weggenomen zal worden’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. mane [1240; Bern.], mane, maen.
Os. māno (mnd. mane); ohd. māno (mhd. mōne, maar vnhd. Mond onder invloed van Monat ‘maand’); ofri. mōna (nfri. moanne); oe. mōna (ne. moon); on. máni (nzw. måne); got. mēna; < pgm. *mēna(n)- ‘maan, maand’. Mogelijk direct verwant met de onder → maand genoemde woorden. Volgens Kluge is het woord voor ‘maan’ echter ontstaan uit de vormen van maand. Aangezien de term voor het hemellichaam bijna uitsluitend in het enkelvoud *mēnōþ- voorkwam, kon de dentaal aan het eind verdwijnen en kon *mēnō- ontstaan. In de betekenis ‘maand’ kon het woord wel in het meervoud verschijnen en bleef de dentaal, nu -d, bewaard.
Lit.: R.S.P. Beekes (1982), “GAv. , the PIE Word for ‘moon, month’, and the perfect participle”, in: Journal of Indo-European Studies 10, 53-64; G. Ivanescu (1985), “Numele lunii in limbile indoeuropene”, in: Studii şi cercetări lingvistice 36, 416-419

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

maan* [satelliet] {oudnederlands mano 901-1000, middelnederlands mane, maen} oudsaksisch, oudhoogduits mano, oudfries, oudengels mona, oudnoors máni, gotisch mena; buiten het germ. grieks mènè, litouws mėnesis, mėnuo [maan, maand], oudkerkslavisch měsęcĭ [maan, maand], perzisch māh, oudindisch mās- [maan] → maand.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

maan znw. v., mnl. mâne v. (zelden m.), onfrank. os. ohd. māno (nhd. mond), ofri. oe. mōna (ne. moon), on. māni, got. mēna m. ‘maan’ (vaak ook ‘maand’). — oi. mās, av. māh- ‘maan, maand’, gr. mḗn ‘maand’, mḗnē ‘maan’, lat. mēnsis ‘maand’, lit. ménů ‘maan’, ménesis ‘maand’, osl. męseci (< *mēsṇ-ko) ‘maan, maand’, oiers mī̆ ‘maand’, toch. A mañ, B meñe ‘maan, maand’. De oorspr. bet. is ‘tijdmeter’; het woord is afgeleid van de idg. wt. *mē ‘meten’ (IEW 731). waarvoor zie: maal 5.

Specht KZ 66, 1939, 53 neemt voor het idg. een s-stam aan, die ofschoon van de wt. *mē afgeleid toch niet ‘tijdmeter’ zou hebben betekend, terwijl maand, indien germ. *menōþa een vervorming van idg. mēnōs zou zijn, wel de bet. ‘tijdmeting’ zou kunnen hebben gehad.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

maan znw., mnl. mâne v., zelden nog m. = onfr. ohd. mâno (nhd. mond), os. mâno, ofri. ags. môna (eng. moon), on. mâni, got. mena m. “maan”. Ook de bet. “maand” komt in verschillende talen voor. De germ. n-stam zal wel op een ouderen s-stam teruggaan (idg. *mên(ě)s-, *mên(ō̆)s-), waaruit zich ook ier. (gen. mîs), lat. mênsis, gr. mḗn ”, ion. meís “maand”, lit. mėnů “maan” (zou ook met germ. *mênan- een idg. *mênon- kunnen zijn), mėnesis “maand”, arm. amis “id.” hebben ontwikkeld. In alb. muai “maand” ziet men een stam *mên-. Zou deze niet uit *mêns-vervormd kunnen zijn? Een dgl. vermoeden komt ook bij ons op betreffende obg. měs-ęcĭ “ maand, maan” en oi. mā́s-, mā́sa- “id.”. Dat er naast *mên(e)s-stammen *mên(on)- en *mês(o)- bestaan hebben, is echter niet onmogelijk en met de zeer aannemelijke afleiding van *mê-n(e)s- van den wortel mê- “meten” (“maan, maand” < “tijdmeter”) zeer goed te vereenigen; zie verder meten.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

maan. Jokl WuS. 12, 81 vlg. herleidt alb. muaj, muej op idg. *mênôt-, waarop ook lit. mėnuo kan berusten. Beide woorden sluiten zich dan het naast bij maand aan.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

maan v., Mnl. mane, Onfra., en Os. mâno + Ohd. id. (Mhd. mâne, Nhd. met paragog. d, mond), Ags. móna (Eng. moon), Ofri. móna, On. máni (Zw. måni, De. maane), Go. mena + Gr. mḗnē, Lith. menů: z. voorts maand.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

maon (zn.) maan; Aajdnederlands mano <901-1000>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

maan (de), (ook:) aanvoerder van een der partijen bij het kinderspel ’zon* en maan’ (z.a.).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

maan I: hemelliggaam; Ndl. maan (Mnl. mane), Hd. mond, Eng. moon, On. māni, Got. mēna, “maan”, hou verb. m. Lat. mēnsis, “maand”, Gr. mênê, “maan”, mên, “maand” – daar is dus verb. tussen maan en maand en albei behels blb. die begrip “tydmeter”.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

maan. In ons enquêtemateriaal komt de verwensing loop naar de maan! voor. Varianten zijn je kunt/mag voor mijn part naar de maan lopen! en vlieg naar de maan! Deze verwensing komt al op het einde van de 18de eeuw voor. Het WNT ix: 29 geeft een citaat uit De Historie van Mejuffrouw Cornelia Wildschut (1793-1796) van Betje Wolff en Aagje Deken: “sla jij ... den weg in naar de maan, dan kan je starretjes plukken.” In West-Vlaanderen zegt men volgens de Loquela [1907] van Gezelle loop naar de mane-driepekkel! ‘loop naar de maan met de drie horens’. Men verwenst iemand naar een onbestaanbare of onbereikbare plek. Algemeen is ook je kunt in een raket naar de maan! Alleen bij Mullebrouck (1984) vond ik loop naar de maan, ge zult de zon tegenkomen! Over de houding van de spreker tasten wij hier geenszins in het duister. Woede, frustratie, irritatie, machteloosheid enz. leiden tot een opstelling met maar één boodschap: ‘ik wil absoluut niets meer met je te maken hebben, donder op’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

maan ‘satelliet’ -> Negerhollands maand, man, maen ‘satelliet’; Berbice-Nederlands manti ‘satelliet’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

Zie de maan schijnt [liedregel] (1843). Dichter-arts Jan Pieter Heije (1809-1876) publiceerde in 1843 in de bundel Kinderliederen uit 1843 ons oudste sinterklaaslied, dat zo begint: “Zie de maan schijnt door de bomen, / Makkers staakt uw wild geraas / ’t Heerlijk avondje is gekomen, / ’t Avondje van Sint Niklaas / Van verwachting klopt ons hart, / Wie de koek krijgt, wie de gard.” In deze en volgende bundels noteert Jan Pieter Heije een aantal klassiek geworden versjes voor kinderen, waaronder ‘Bloemkweken’ (“Klein kleuterke, klein kleuterke!/ wat doet gij in mijn hof?”), ‘Van zeven kikkertjes’ (“Daar zaten zeven kikkertjes,/ Al in een boerensloot”), ‘Onze manieren’ (“Tussen Keulen en Parijs, / Leit de weg naar Rome. / [...] Zo zijn onze manieren”) ‘Een triomfantelijk lied van de Zilvervloot’ (“Piet Hein, / Zijn naam is klein”) , en ‘Twee voerlui’, dat zo begint: “Een karretje op een’ zandweg reed”.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

maan* satelliet 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1453. Als de maan vol is, schijnt zij overal,

d.w.z. ‘als eene zaak tot volle klaarheid is gekomen, komt ze ter kennis van het algemeen’ (Harreb. II, 46 b). De uitdr. komt in de 18de eeuw in dezen zin voor in W. Leevend II, 122; VIII, 62; C. Wildsch. IV, 82. Thans evenwel verstaat men er gewoonlijk onder ‘als iemand rijk is, laat hij 't bij elke gelegenheid merken’; ‘als iemand gelukkig is, overvloed bezit, wil hij ook anderen gaarne daarin doen deelen’Voor nog andere beteekenissen, die men aan deze zegswijze toekent, zie School en Studie 1884, bijblad, bl. 54.; fri. as de moanne fol is skynt er oeral, als eene zaak opgang maakt, wordt er met ophef van gesproken.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

mēnōt, Gen. mēneses, woraus mēnes-, mēns-, mēs-, mēn- ‘Monat’ und ‘Mond’, m., wohl als personifizierte ‘Zeitmessung’ zu mē- ‘messen’

Ai. mā́s, mā́sa- m., av. mā̊, Gen. mā̊ŋhō, npers. māh ‘Mond, Monat’; arm. amis, Gen. amsoy ‘Monat’ (*mēnsos); gr. att. Neubildung μήν, zum Gen. μηνός (lesb. μῆννος), Nom. ion. μείς, dor. μής m. ‘Monat’ (*mēns), μήνη (*μηνσᾱ) ‘Mond’; alb. muai ‘Monat’ (*mōn- aus idg. *mēn-); lat mēnsis m. ‘Monat’ (kons. Gen. Pl. mens-um), mēnstruus ‘monatlich’ (GN Mēna ist gr. Lw.), sēmē(n)stris ‘sechsmonatig, halbjährig’, umbr. mēnzne ‘mense’; air. (*mēns), Gen. mīs (*mēnsos), cymr. acorn. mis, bret. miz ‘Monat’; got. mēna, aisl. māni, ags. mōna, as. ahd. māno ‘Mond’ (-en-St.); got. mēnōþs, aisl. mānaðr, ags. mōnað, as. mānuth, ahd. mānōt, nhd. Monat (*mēnōt-), lit. mė́nuo (*mēnōt), mė́nesis m. ‘Mond, Monat’, lett. mẽnes(i)s ‘Mond, Monat’ (dial. lit. mė́nas aus einem neutr. *mēnos), apr. menins ‘Mond’; abg. měsęcь m. ‘Mond, Monat’ (*mēs-n̥-ko-);
toch. A mañ ‘Monat’, mañ ñkät ‘Mond’ (= ‘Gott Monat’), В meñe ‘Monat’, meṃ ‘Mond’.

WP. II 271 f.. WH. II 71 f., Trautmann 179 f., Brandenstein Studien 11 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal