Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

maal - (vlek, teken)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

maal4* [vlek, teken] {mael 1551} oudsaksisch -māl, oudhoogduits, oudnoors māl, oudengels mæl, gotisch mēl; buiten het germ. latijn mulleus [roodachtig], grieks melas [zwart], litouws mėlas [blauw], lets melns [zwart], oudindisch mula- [vuil, onreinheid].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

maal 4 znw. o. ‘teken, kenteken’, mnl. mael, os. -māl, ohd. māl (nhd. mal), oe. mæl, on. māl, got. mēl ‘teken, vlek’. — Gewoonlijk verbonden met gr. mṓlōps ‘striem van een slag’, lit. mė́las, mė́lynas ‘blauw’, lett. mẽlš ‘donkerblauw’, ‘waarnaast abl. gr. mélas ‘zwart’, alb. mel-enë ‘olm’, lat. mulleus ‘roodachtig, purperkleurig’ (IEW 720-1). — Zie: malen 2.

J. Trier, Lehm 1951, 71 doet een poging dit woord met malen 1 te verbinden, door uit te gaan van de donkere kleur van de figuren, die op de leemwand van het huis aangebracht werden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

maal 1 o. (vlek), Mnl. mael, Os. mâl + Ohd. id. (Mhd. Nhd. id.), Ags. mǽl (Eng. meal), On. mál (Zw. mål, De. maal), Go. mel: van denz. wortel als meten (z.d.w.) met de bet. maat, merkteeken; van hier nog ander bet., waarover bij maal 2. en maal 3. Niet verwant zijn Ohd. meil (Mhd. id.), Ags. mál (Eng. mole), Go. mail = vlek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

male (D, I, K, O, R, DB), zn. v.: boodschappentas (K), reistas, knapzak, rugzak, bedelzak (P, R, DB), binnenzak (I, R), broekzak (D), postzak, mailboot (O). Mnl. male ‘reistas, koffer’, Vroegnnl. maelmaker ‘maletier’ (Lambrecht). Ohd. malaha, Mhd. malhe, Os. malaha, Mnd. male ‘tas, zak’. Fr. malle is ontleend aan het Frankisch. Uit Ofr. male is dan weer E. mail ontstaan.

Thematische woordenboeken

A. Moortgat (1925), Germanismen in het Nederlandsch, Gent

Samenstellingen met -MAAL.
In den zin van teeken, merkteeken komt maal in de schrijftaal nog enkel voor ter aanduiding van een moedervlek. Het leeft ook nog voort in de samenstellingen ijzermaal en het nagenoeg geijkte moedermaal (moedervlek, D. Muttermal). De pleonastische uitdrukking maalteeken (merkteeken) is gelukkig uitgestorven, maar men stuit soms nog op denkmaal en gedenkmaal (zie bl. 22) voor gedenkteeken, gedenkstuk - op wondmaal, D. Wundenmal, Ndl. litteeken - op bloedmaal, D. Blutmal, Ndl. bloedvlek. Verder gebruikt Gezelle lichtdrukmaal, D. Lichtdruckmal, denkelijk als purisme voor portret (1); naast dit laatste hebben wij ook beeltenis en afbeeldsel.
|| Een schapers almanach staat vol prentteekens, in ’t rood en in ’t zwart; en ieder blad en gelijkt niet kwalijk aan een aangezichte, dat, in blauwe plekken geslegen, met hier en daar zwarte en roode, d.i. drooge en versche bloedmalen versierd is, Thorhout, K. Loo, V. in Loquela, 1881, 2, kol. 15. Geen teekening, geen lichtdrukmaal, geen beitelwerk van steene, G. Gezelle, Laatste Verzen, 8. Het Christusbeeld stond reeds in zijne hiëratische strakheid aan den opperwand, boven het altaar, herkennelijk aan de goudene ringschijf, de groote, donkere oogen en aan de wondmalen der handen, Stijn Streuvels, Genoveva van Brabant, II, 60.

(1) Eigenlijk een beeltenis in lichtdruk, maar toch bedacht als vertaling van Fr. portrait, waarvoor Gezelle elders nog de volgende woorden opgeeft: afbeeldsel, afschilderije, namaaksel, nabeeld, weêrprente, uitschilderinge (Loquela, 1883, 7, kol. 55). In de Portretten van Joost van den Vondel door J. A. Alberdingk Thijm (Werken, dl VI) tref ik, benevens het meest gebruikte portret, tenminste 10 maal beeltenis en afbeelding aan, 2 maal fotografie en 1 maal afbeeldsel. Als vertaling voor photographie is ook thans nog bekend, ofschoon minder dan voorheen, lichtteekening (Wdb. d. Ndl. Taal, VIII, 13, kol. 1932). Insgelijks konterfeitsel.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Maal. Dit woord heeft verscheidene, oogenschijnlijk uiteenloopende beteekenissen, die echter meest alle van denzelfden wt. komen, n.1. van ’t Idg. me = meten. Om de uitkomst van ’t meten te onthouden werd een teeken een merkteeken gegeven, en zoo verkreeg het z.n.w. daarvoor – ons maal – de bet. van teeken, merkteeken, punt; zoo wordt hieruit verklaard: 1°. maal = vlek, bijv.: ijzermaal = ijzerroest, plek in linnengoed; bij Huygens: „Zij had een maaltje in haar hals”; vgl. ’t w.w. malen = teekens schilderen. 2°. maal = punt, tijdstip; bij Hooft: „hij hield dat maal zijn drift in”; vgl. voormaals, toenmaals; hier namaals; hieruit ontstond 3°. maal = telkens terugkeerend tijdstip, waarop iets gebeurt, dus: keer, werf: driemaal, veelmaals, zes maal acht; hierbij behoort ook 4°. maal = etenstijd, en verder: het eten, dat in één maal genuttigd wordt: een maal boonen; ook: de hoeveelheid melk, die een koe in één keer geeft: een goed maal.
Een ander woord is maal als brievenmaal, in ’t Os. malaha, Mnl. male, dat oorspr. zak, tasch bet. (nog bij Hooft en Vondel); vandaar brievenmaal. Het Germ. woord ging in ’t Fr. als male (thans malle) over, waaruit ’t Eng. mail ontstond, en dat wij weer invoerden: de Indische mail; mailboot; mailpapier.
Eindelijk nog leeft in ’t Veluwsche maalman, maalschap Een maalschap is op de Vel. de oude marke, de gemeente, het gemeenschappelijk grondbezit; de deelhebbers waren maalmannen, of ook wel de bestuurders; men kwam samen op ’t malenveld, waar de malenbank stond; de besluiten werden in ’t malenboek opgeteekend; elders heet een maalschap ook buurt, bijv. Ederbuurt, of meent: de Hilversumsche meent., malenveld, malenbank, enz. ’t Germ. mahla voort, dat openbare volksvergadering, rechtspraak bet., en waaraan ook ons gemaal (z. d. w.) herinnert.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

mel-6, melǝ- in Farbbezeichnungen, bes. von dunkeln, unreinen, schmutzigen Farbentonen; ‘Schmutz, beschmutzen’, melǝ-no- ‘schmutzig’

Ai. maliná- ‘schmutzig, schwarz’, mlā-na- ‘schwarz, dunkelfarbig’, mála- m. n. ‘Schmutz, Unrat, Sünde’;
gr. μέλᾱς, -αινα, -ᾰν ‘schwarz’ (wohl für *μέλανος nach dem Fem. μέλαινα = ai. malinī), μίλτος ‘Rötel’, μολύνω ‘besudle’ (vielleicht aus *μαλύνω), μύλλος ‘Rotbarbe’ (Ablaut wie lat. mulleus, lit. mulvas), mit ō-Stufe μώλωψ ‘Striemen, blutunterlaufene Stelle’;
alb. mel-еnë (Kollekt. *mel-inio-) ‘Ulme’ (von der Farbe des Holzes), mel-ézë ds., mjerë ‘unglücklich’ (*mel-ro- ‘schwarz’), usw.;
vorrom. *melix, -ice (frz. mélèze) ‘Lärche’;
lat. mulleus ‘rötlich, purpurfarben’ (*mulnei̯os); vgl. ahd. mol S. 717;
got. mēla Nom. Pl. ‘Schriftzeichen’, mēljan ‘schreiben’, ahd. ana-malī ‘Fleck, Narbe’, mhd. māl n. ‘Fleck’, ahd. mālōn, -ēn ‘malen, zeichnen’, anorw. mǣla ‘färben, malen’ (ursprüngl. ‘mit schwarzer Farbe malen’);
balt. *mēlna- (*melǝ-no-) in lett. męlns ‘schwarz’, apr. melne ‘blauer Fleck’, lit. mel̃svas ‘bläulich’ (auch lit. meletà, -atà ‘Grünspecht; Hasel-, Waldhuhn’, apr. melato ‘Grünspecht’?); lit. mė́las, mė́lynas ‘blau’, mė́lynė ‘blauer Fleck infolge eines Schlages’, lett. mẽl̦š ‘dunkelblau’ (*mēli̯as); apr. mīlinan Akk. fem. ‘Fleck’; lit. mólis, lett. mâls ‘Lehm’;
mit u-farbiger Red.-Stufe: lit. mul̃vas ‘rötlich, gelblich’, mul̃v-yti, -inti ‘beschmieren’, mul̃vė ‘Schlamm, Sumpf’;
russ. malína ‘Himbeere, Brombeere’.

WP. II 293 f., WH. II 122 f., Trautmann 177 f., 188.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal