Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

luttel - (gering)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

luttel bn. ‘gering’
Onl. *luttil (bn.) ‘klein, gering, jong enz.’, ook zelfstandig gebruikt, maar alleen in Hoogduits gekleurde vormen als luzzundon (lees luzzilon, datief mv.) ‘aan de kleinen (= kleingeestigen)’ [10e eeuw; W.Ps.], en eyn luzzel thar nach ‘een poosje daarna’, thie luzzelon uohon ‘de jonge vossen’ [beide ca. 1100; Will.]; mnl. luttel (bn., bw.) ‘klein; een kleine hoeveelheid; weinig; nauwelijks’, bijv. in si clagede luttel ‘ze klaagde nauwelijks’ [1200; CG II], lettele scaplarise ‘kleine schouderkleden’ [1236; CG I], luttel ‘klein’ [1240; Bern.], want uns dar luttel af mag comen ‘want daar hebben we weinig aan’ [1220-40; CG II].
Os. luttil (mnd. luttel); ohd. luzzil (nhd. gewest. lützel); oe. lȳtel (ne. little); alle ‘klein, weinig enz.’; < pgm. *lutila (> *luttila-), *lūtila-. Daarnaast met dezelfde betekenissen zonder achtervoegsel: pgm. *lūti-, waaruit: os. lūt; oe. lyt, lȳt; met andere stamklinker pgm. *lītila-, waaruit: on. lítell (nzw. lilla en uit de accusatief liten en litet); got. leitils; met andere achtervoegsels bovendien: onl. luttik [10e eeuw; W.Ps.]; os. luttik; West-Vlaams letter; ohd. luzzīg; ofri. lītik (nfri. lyts).
Verdere etymologie onbekend. De variatie -ū-/-ī- in de stam is ongewoon en op Indo-Europees niveau niet goed verklaarbaar. Buiten het Germaans bestaan er bovendien geen goed vergelijkbare woorden. Op grond van de vorm pleegt men verband te leggen met de bij → leut 1 ‘pret’ genoemde woorden < pgm. *leut- ‘buigen’, of met de bij → lenig genoemde woorden < pie. *lei- ‘afnemen, verdwijnen’ (IEW 661), maar het voorgestelde betekenisverband tussen al deze woorden is niet overtuigend. De rijke en moeilijk verklaarbare Germaanse vormvariatie en het frequente voorkomen in toponiemen wijzen eerder op ontlening aan een voor-Indo-Europese substraattaal.
Luttel was oorspr. zowel zelfstandig en bijvoeglijk naamwoord als bijwoord en telwoord. Het is in de Nieuwnederlandse periode verouderd en vervangen door synoniemen als → klein, → gering, → weinig, → zelden, maar in sommige vaste verbindingen komt het nog steeds voor, bijv. een luttel bedrag ‘een kleine geldsom’, in luttele seconden ‘binnen enkele seconden’. De Oudnederlandse vorm luttik en een korte vorm lut zijn nog herkenbaar in enkele plaatsnamen, bijv. Lutjebroek (Noord-Holland), mnl. Lutekebroec [ca. 1312; Van Berkel/Samplonius], Luttenberg (Overijssel), mnl. Luttenberch [1359; Van Berkel/Samplonius]. Buiten de landsgrezen: Letzenburg ‘Luxemburg’ betekent ‘kleine stad’ en stond in contrast met Mecklenburg, letterlijk ‘grote stad’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

luttel* [gering] {1200, vgl. met ander achtervoegsel luttic 901-1000} oudsaksisch luttil, luttik, oudhoogduits luzzil, luzzic, oudfries litik, oudengels lytel (engels little), oudnoors litill, gotisch leitils; daarnaast nederlands lutje, een duidelijk affectief woord gezien de varianten; verwanten buiten het germ. zijn niet gevonden.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

luttel bnw., mnl. luttel ‘weinig’, onfrank. luzzil ‘klein’, os. luttil, ohd. luzzil, oe. lytel (ne. little) ‘klein, weinig. — Daarnaast met k-suffix: mnl. luttic (nog. nnl. dial. Ν. Holl.), onfrank. luttic, luttik, os. luttic, ohd. luzzic. — Beide afl. van os. lūt, oe. lyt ‘weinig (< germ. *lūti-), vgl. nog saks. dial. lut, lutje en de plaatsnaam Lutjebroek. — In het mnl. staan naast luttel nog lettel, littel, die daarvan ontronde vormen kunnen zijn, maar ook kunnen teruggaan op germ. *lītila, vgl. mnl. lîtel, on. lītill, got. leitils en met k-suffix ofri. lītik, littik en wvl. lijtje, letje, letsken ‘een beetje’, lijter, letter bijw. ‘weinig’.

In het germ. staan dus naast elkaar * lītila- en *lūtila; de verhouding tussen deze vormen wordt verschillend beoordeeld. Specht, Urspr. der idg. Dekl. 125 denkt aan wortelvariatie l-i: l-u. — Johansson PBB 15, 1889, 231 denkt aan twee parallelle wortels: *leid bij lit. laidau, laudyti ‘laten stromen’, leidžu ‘laten’ en *leud, bij on. ljōtr ‘lelijk, verschrikkelijk’, got. liuts ‘huichelachtig’, ofr. liāt ‘leugenachtig’ (zo ook IEW 684). — Het is echter zeer onwaarschijnlijk dat het woordpaar *lītila-, lūtila- zo gescheiden zou kunnen worden. — Krogmann IF 53, 1935, 44-48 verbindt *lītila met de woordfamilie van lenig en beschouwt de idg. wortels *lei, *leu als afl. van *el, waarvoor zie: el. — Specht t.a.p. verbindt *li: *lu met oi. āṇi (< *ālni) ‘deel van het been boven de knie’ en áṇu (< *alnu) ‘dun, fijn, klein’. Hij beschouwt dus l ook als rest van de stam. — Eerder kan men denken aan secundaire klankwisseling onder invloed van een affectief karakter van het woord (vgl. J. de Vries PBB 80, 1958, 1-32); gaat men dan uit van de vorm met ī dan kan men aanknopen aan de idg. wt. *lei (< *el-ei?), die bij lenig behandeld is (IEW 661).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

[Aanvullingen en Verbeteringen] luttel. Adde: ags. *lŷtuc, lyttuc m. “segmentum”.

luttel bnw., onbep. telw., mnl. luttel. = onfr. (uit het middelfrank. ontleend) luzzil “parvulus”, ohd. luzzil “klein, weinig”, os. luttil, ags. lŷtel (eng. little) “id.”. Met ander suffix mnl. luttic (luetic) (nog dial., o.a. N.Holl.), onfr. luttic, -ik, ohd. luzzic, os. luttik “id.”. Beide afgeleid van *lûti-: os. lût (Cott. liut), ags. lŷt “weinig”. Hiernaast mnl. lettel, littel, dat in sommige teksten een dial. vorm van luttel kan zijn, in andere echter = mnl. lîtel, on. lîtill, got. leitils “klein, weinig” is, waarnaast met ander formans ofri. lîtik, littik “id.”; nog wvla. lijtje, letje, letsken “een beetje” (: ndl. lutje “id.”), lijter, letter bijw. “weinig”. Het suffix -ila van *lîtila-, *lûtila- is wsch. van *mikila- “groot” overgenomen. Germ. lît- en lût- kunnen bezwaarlijk oerverwant zijn. Met lût- laat zich nier. lúidîn “pink” vergelijken, andere combinaties zooals met de bij leuteren genoemde woorden of een deel hiervan, zijn nog onzekerder. Ook voor lît- is geen overtuigende etymologie gegeven, de combinatie met lit. léisti “laten” (zie laten) of die met got. lita v. “huichelarij”, ohd. liz m. “id.”, lett. lîdu, lënu, lîst “kruipen, sluipen” zijn dat allerminst. Voor de vocaalverkorting in luttel vgl. etter.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

luttel. Bij mnl. luttic enz. ook ags. lyttuc m. ‘segmentum’(v.Wijk Aanv.).
De poging van Krogmann IF. 53, 44 vlgg. om germ. *lît- en *lût- uit de verte verwant te maken door ze te herleiden resp. op idg. bases *elei- en *eleu-, die dan verlengingen zouden zijn van de kortere wortelvorm *el- in el en verwanten, is veel te gewaagd.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

luttel bijv., Mnl. id., Os. luttil + Ohd. luzzil (Mhd. lüzzel, Nhd. lützel), Ags. lytel (Eng. little); een ander klinker in ’t Oostgerm.: On. lítill (Zw. liten, De. liden), Go. leitils, dat ook Mnl. als litel, littel en lettel voorkomt. Het zijn afleid. van *lut, Os. lut, liut, Ags. lyt = weinig, klein: verder verwantschap onzeker. Bij dit prim. lut behoort lutje en dial. letje met de vocaal van Mnl. lettel.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

letter, onb. vnw.: weinig, luttel. Ook Vlaams. Mnl. lettel, littel, luttel, lutter, Vnnl. 1517 binnen eeneghen jare, tzy letele oft vele, 1568 lettel volcx, Gent (LC). Hetzelfde woord als Ndl. luttel, E. little, Os. luttil, Ohd. luzzil, Oe. lytel, On. litill, Got. leitils.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

lettel (G), letter (E, G, L, W, ZO), bn., onb. vnw.: weinig, luttel. Mnl. lettel, littel, luttel, lutter, Vnnl. 1517 binnen eeneghen jare, tzy letele oft vele, 1568 lettel volcx, Gent (LC). Hetzelfde woord als Ndl. luttel, E. little, Os. luttil, Ohd. luzzil, Oe. lytel, On. litill, Got. leitils.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

letter weinig (West-Vlaanderen). Wschl. met suffixwisseling en ontronding ‹ luttel ‘id.’ (= os. luttil, eng. little. ohgd. luzzil) en niet ‹ heterofoon van got. leitils ‘id.’ (= ono. litill ‘klein’), dat overigens nauw verwant zou kunnen zijn met fravla. lĭĕtje ‘weinig’. Het is wel waar dat geografisch de vormgroepen moeilijk te scheiden zijn, maar de e van wvla. letter is moeilijk uil het vocalisme van got. leitils en ono. litill te verklaren.
De Bo 548, 549, 560, WVD II afl. I 307, NEW 418.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

letter, bn., onb. vnw.: weinig, luttel. Mnl. lettel, littel, luttel, lutter. 1425 lettele min of meer, Kortrijk (OWW). Hetzelfde woord als Ndl. luttel, E. little. Os. luttil, Ohd. luzzil, Oe. lytel, On. litill, Got. leitils. Dim. ’n letje, lijtje ‘een beetje’.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Luttel bnw. bw., wankel, lamlendig (van gereedskap, meubels, ens.). Die woord is in die Noordweste baie gebruiklik. – In Sliedrecht word dit in dieselfde sin gebruik: Dié tafel staat luttel, de steel zit erg luttel in die hamer (persoonlike aantekening). Sien verder Ndl. Wdb. VIII, 3374, i.v. lutteren.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Luttel, lutje (= Lutjebroek) bet. klein, gering (vgl. Engl. little = klein); afl. van een oud woord (Os. lut), dat klein bet.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

luttel* gering 1200 [CG II1 Servas]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

lei-2 ‘eingehen, abnehmen, schwinden; mager, schlank’, (aus *el-ei-), leibho- ‘schwach’, lei-no- ‘matt’, lei-no- ‘matt’, lei-ro- ‘schlank’, loi-si-s ‘weniger’

a. Gr. λίναμαι· τρέπομαι Hes., λιάζομαι ‘weiche aus, sinke hin’, λειρός (handschr. λειρώς)· ὁ ἰσχνός καὶ ὠχρός Hes. (= lit. leĩlas), λῑμός m. ‘Hunger’, λοιμός ‘Seuche, Pest’; λινό-σαρκος ‘von zartem Fleisch’;
mir. lían (*lei-no-) ‘sanft’; léine f. ‘Hemd’ (‘*weiches Untergewand’);
mhd. lī̆n ‘lau, matt’, ahd. Lino PN, nld. lenig ‘geschmeidig’, aisl. linr ‘zart, weich, schwach’; lina ‘lindern, nachlassen’;
got. af-linnan ‘ablassen, fortgehen’, aisl. linna ‘aufhören lassen, hemmen’, ags. linnan ‘aufhören’, ahd. bi-linnan ‘weichen, aufhören’, mit -nn- aus -nu̯-;
aisl. lǣ n. (*laiwa-) ‘Schade, Unglück, Betrug’, ahd. Gen. lēwes ‘leider’, ags. lǣw ‘Verstümmelung’; ags. as. lēf ‘schwach’ (*lēi-bho-);
aus dem Nebeneinander von got.-nord. lit- (in got. leitils ‘klein, wenig’, aisl. lítill ds., afries. lītik, bair. dünn-leizig, aisl. Adverb lítt ‘wenig, schlecht’) und westgerm. lut- (in asächs. luttil, ahd. luzzil, liuzil ‘klein’, ags. lȳtel ds.) ergibt sich, daß lei- aus *el-ei-, daneben leu- aus *el-eu- entstanden sein müssen;
lit. leĩlas ‘dünn, schlank’ (aus *leĩras, zu gr. λειρός), lett. liẽls ‘groß’ (‘*schlank’), mit anderen Suffixen lit. leĩnas, leĩtas ‘schlank’, ablaut. láinas ds.; líebas ‘mager, dünn’, ablaut. láibas ‘zart, dünn, schlank’;
ksl. liběvъ, libavь, libivъ ‘mager’, serb. linjati ‘schwinden’, linjati se ‘mausern’, Denomin. von *lein- (: lit. leĩnas), slov. liliti ‘häuten’ (: lit. leilė́ti ‘mager werden’), leviti se ‘sich häuten’ (: lit. láibinti ‘dünner machen’);
toch. A lalaṃsk-, В lalaṃske ‘zart’.
b. s-Erweiterung leis-, lois- in:
gr. λιαρός ‘milde, lind’ (*lisero-s), λοῖσθος ‘der zurückbleibende, hinterste, letzte’, λοίσθιος ds., vielleicht aus *λοιhιστος, Superlativ zu *λοιhις
= germ. *laisiz ‘weniger, minder’, ags. lǣs, nengl. less, as. lēs ds., Kompar. ags. lǣssa (*laisiza), afries. lessa, Superl. ags. lǣst und lǣrest, engl. least, afries. lērest und lēst, zu krimgot. lista ‘wenig’; ahd. līso Adv. ‘leniter’, mhd. Adj. und Adv. līse, nhd. leise; ags. ge-līsian ‘schlüpfen, gleiten’;
lit. líesas, lett. líess ‘mager’; lit. líesti und lýsti ‘mager werden’, lett. líest ds.

WP. II 387 ff., WH. I 807 f., Trautmann 154, Specht Idg. Dekl. 125, Machek Recherches 75 ff. Wohl hierher 1. leig- und leik-, s. unten S. 676.

leud- etwa ‘sich ducken’, daher ‘geduckt, klein, sich vor jemand ducken, klein machen, heucheln’

Cymr. lludded ‘Müdigkeit’ (*loudetā, vgl. ahd. luzeda ‘infirmatio’);
as. luttil ‘klein, elend’, ahd. luzil, luzzil, liuzil, mhd. lützel ‘klein, wenig, gering’, ags. lȳtel, engl. little; as. lūt ‘wenig’, ags. lȳt ‘gering’, as. luttic, ahd. luzzīc ‘klein, wenig’ (s. oben unter 2. lei-); aisl. lūta st. V. ‘sich vornüber neigen, fallen’, ags. lūtan st.-V. ds., ags. lūtian ‘verborgen liegen, lauern’, ahd. lūzēn ds.; ahd. lōskēn, mnd. lūschen ‘versteckt, verborgen sein; got. luton in lutondans ‘φρεναπάται’, hochstufig liuts ‘heuchlerisch’, liutai Pl. ‘Gaukler’, liutei ‘Trug’, lutōn ‘betrügen, verführen’, ags. lot n. ‘Betrug’, lytig ‘hinterlistig’, aisl. ljōtr ‘häßlich’, lȳti n. (*liutia-) ‘Gebrechen’, lȳta ‘verunzieren, entehren, tadeln’;
lit. liūstù, liũsti ‘traurig sein’ (‘gedrückt sein’), liũdnas ‘traurig’, apr. laustinti ‘demütigen’ (von *laustas ‘geduckt’);
r.-ksl. ludъ ‘töricht’, Postverbale zu slav. *ludjǫ in russ. lužú (*laudei̯ō), ludítь ‘betrügen, tauschen’.

WP. II 415 f., Trautmann 151.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal