Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lunch - (middagmaaltijd)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

lunch zn. ‘middagmaaltijd’
Nnl. lunch “het tweede ontbijt, vóór-middagmaal” [1855; Kramers].
Ontleend aan Engels lunch ‘eenvoudige tussenmaaltijd’ [1829; OED], eerder al ‘homp’ [1591; OED], verdere herkomst onzeker. Het woord kan gevormd zijn bij lump ‘homp’ naar analogie van woordparen als hump, hunch en bump, bunch. Onduidelijk is ook de relatie met het synoniem luncheon, dat in beide betekenissen ouder is: ‘homp’ [1580; OED], ‘eenvoudige tussenmaaltijd’ [1809; OED], maar in deze laatste betekenis eerder al lunchings (mv.) [ca. 1652; OED]. Men schrijft deze vorm wel toe aan volksetymologische invloed van nuncheon (vero.) ‘lichte versnapering of drankje tussen de maaltijden’, een verbasterde samenstelling uit noon ‘middag’, zie → noen, en Middelengels schenchen, zie → schenken.
De betekenis ‘lichte, eenvoudige middagmaaltijd’, ook wel tweede ontbijt genoemd, is in het Nederlands uitgebreid tot algemener ‘maaltijd rond het middaguur, van welke aard en omvang dan ook’.
lunchen ww. ‘een lunch gebruiken’. Nnl. had ... geluncht [1901; WNT]. Afleiding van lunch.
Lit.: Debrabandere 2000, 118-119

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lunch [maaltijd rond middaguur] {1855} < engels lunch, van lump [klomp, brok], verwant met lomp1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lunch znw. m., eerst 19de eeuw < ne. lunch, dat eig. ‘homp brood’ betekent, vgl. zw. dial. lunk ‘deegbal in soep of pap’. — Een bijvorm van ne. lunk is lump waarvoor zie: lomp.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

lunch (Engels lunch)

L. Koenen, R. Smits (1992), Peptalk, De Engelse woordenschat van het Nederlands

lunch [lunsj] middagmaal, twaalfuurtje.

Dateringen of neologismen

F. Bakker, E. van Ruijsendaal, P. Uljé, D. van Zijderveld, Vindpunt.nl – elektronisch doorzoekbare Woordenlijst Overbodig Engels met Nederlandse tegenhangers, uitgebreide en verbeterde voortzetting van de boekuitgaven Funshoppen in het Nederlands (2009) en Op-en-Top Nederlands (2015)

lunch zn. Ontleend aan het Engels.
[alg.] = schaft, twaalfuurtje, middaghap, koffiemaaltijd, broodmaaltijd. Omdat we niet willen discrimineren tussen hand- en hoofdarbeiders noemen we voortaan elk middageten 'de schaft'.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lunch maaltijd rond middaguur 1855 [KKU] <Engels

J. Posthumus (1986), A Description of a Corpus of Anglicisms, Groningen

lunch, plural lunches [lʏnʃ/əs] Koenen 1940; Koenen 1974; Van Dale 1976. Compounds/derivations: zakenlunch. Loanword from English lunch n.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal