Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ludiek - (speels)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

ludiek bn. ‘speels’
Nnl. Ik had voortdurend behoefte aan een adjectief bij spel, dat eenvoudig uitdrukt “wat tot spel of spelen behoort”. Speelsch kon daartoe niet dienen, het heeft een te speciale nuance van beteekenis. Men veroorlove mij daarom het woord ludiek in te voeren [1938; Huizinga].
Neologisme, in 1938 geïntroduceerd door de historicus en cultuurfilosoof Johan Huizinga (1872-1945) als geleerde afleiding van Latijn lūdus ‘spel’, naar het voorbeeld van Frans ludique ‘id.’ [voor 1910; Rey], dat destijds alleen in psychologische geschriften voorkwam.
Huizinga gebruikte het woord in de inleiding van zijn standaardwerk Homo ludens. Aanvankelijk was ludiek vooral een erudiet woord, tot het werd opgepikt door de Amsterdamse schilder en publicist Constant Nieuwenhuys (1920-2005), die veel invloed had op de Provo-beweging in de jaren zestig. In 1966 spraken de provo's m.b.t. tot hun eigen doelstelling van een ludieke orde. Hun happenings ‘vreedzame demonstraties met een speels karakter’ werden door de buitenwereld ook wel ludieke acties genoemd. Later kreeg het begrip ludieke actie een bredere inhoud: elke speels vormgegeven doch serieuze openbare bezigheid kan ludiek genoemd worden.
Lit.: J. Huizinga (1938), Homo ludens: proeve eener bepaling van het spel-element in de cultuur, Haarlem

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ludiek [speels] {1926-1950} < frans ludique, een moderne vorming van latijn ludus [spel, scherts] (middeleeuws latijn ludificus [speels, feestelijk]).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

ludiek (Frans ludique)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ludiek ‘speels’ -> Fries ludyk ‘speels’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

ludiek [begrip] (1938). Ludiek, ‘het karakter van een spel dragend’, wordt in 1938 geïntroduceerd (naar het Franse ludique) door de historicus Johan Huizinga (1872-1945) in zijn werk Homo ludens (‘de spelende mens’). Huizinga schrijft in de inleiding: “Ik had voortdurend behoefte aan een adjectief bij spel, dat eenvoudig uitdrukt ‘wat tot spel of spelen behoort’. Speelsch kon daartoe niet dienen, het heeft een te speciale nuance van beteekenis.” In een iets andere betekenis wordt het door de provo’s in de jaren zestig algemeen verbreid. Omdat de politie vaak snel ter plaatse was bij hun demonstraties, gebruikten zij het begrip ludieke actie om aan te geven dat de desbetreffende demonstratie wat hen betreft niet zou uitlopen op rellen.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ludiek speels 1938 [R75] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal