Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

luchten - in de uitdrukking iemand niet kunnen luchten of zien (niet kunnen uitstaan]

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

lucht zn. ‘gasmengsel dat de aarde omgeeft, hemel; geur’
Mnl. logt ‘lucht, onderste luchtlaag’ [1240; Bern.], hoghe in de lucht ‘hoog in de lucht’ [1285; CG II, Rijmb], hare soete lucht ‘hun zoete geur’ [1287; CG II].
Met de klankovergang -ft- > -cht- zoals in → achter ontwikkeld uit Proto-Germaans *luftu-.
Os. luft (mnd. luft); ohd. luft (nhd. Luft); ofri. luft(e) (nfri. loft, naast lucht ‘gas, geur’ als ontlening aan het nnl.); oe. lyft ‘lucht’ (ne. verouderd lift ‘hemelgewelf’; in de algemene betekenis al sinds het me. verdrongen door air); oe. loft ‘lucht, hemel’ (me. ook ‘bovenkamer’, ne. loft, zie het leenwoord → loft; ne. aloft ‘de lucht in’) is ontleend aan het on.; on. lopt ‘lucht’ ook ‘bovenvertrek’ (nzw. loft ‘dakkamer’); got. luftus; alle ‘lucht, hemel’ tenzij anders aangegeven, < pgm. *luftu-. Hiervan afgeleid zijn de werkwoorden: mnl. luchten ‘opheffen’ (zeer zeldzaam, alleen in mnd. gekleurde teksten); mnd. lüchten; mhd. lüften (nhd. lüften); on. lypta (nzw. lyfta; uit het Noord-Germaans me. liften, ne. lift, zie → lift 1 en → lift 2); alle ‘opheffen, de lucht in tillen’; < pgm. *luftjan-, of later in de afzonderlijke talen afgeleid van lucht.
Verdere herkomst onbekend. Er zijn geen zeker verwante woorden buiten het Germaans. De betekenis ‘dakkamer’ in het Noord-Germaans is te verklaren uit ‘dat wat boven gelegen is’, maar volgens sommigen is de betekenisontwikkeling precies andersom geweest en is ‘lucht’ overdrachtelijk ontstaan uit ‘hemeldak’, dat op zijn beurt een overdrachtelijk gebruik van het woord voor ‘dak van boombast’ zou kunnen zijn en dan verwant zou zijn met → loof. Dan zou o.a. Litouws lùbos (v. mv.) ‘zolder’ verwant kunnen zijn.
luchten ww. ‘verdragen; aan frisse lucht blootstellen; uiting geven’. Vnnl. luchten ‘ruiken’ in den reucke vander Cranen luchtende ‘de geur van de kraanvogels ruikende’ [1564; WNT], al overdrachtelijk in dat zy hem niet langher ghesien en mochten nochte luchten ‘dat zij hem niet langer konden zien of luchten’ [1562-92; MNW], die hun ... niet en mogen sien of luchten ‘die hen niet kunnen zien of luchten’ [1602; WNT]; nnl. ‘aan frisse lucht blootstellen’ in klederen lugten [1729; WNT], ‘uiten, uiting geven’ om ... ons humeur eens wat te luchten [1793; WNT], om zijn hart te luchten [1839; WNT]. Afleiding van lucht. ♦ luchtig bn. ‘niet compact; zorgeloos’. Mnl. logteg ‘als lucht, betreffende de lucht, zich in de lucht bevindend’ [1240; Bern.], eenrehande luchtighe substanci ‘(dauw is) een zekere stof in de lucht’ [ca. 1440; MNW]; vnnl. luchtig ‘licht, losjes, lichtvaardig, zorgeloos’ in luchtigh, zonder dwangk [1662; WNT], haer met luchtighe en lustighe redenen te onderhouden ‘haar met opgewekt gepraat te onderhouden’ [1634; WNT]; nnl. van kleding ‘niet krap of warm’ in een luchtig kleed ‘... kledingstuk’ [1708; Sewel NE], lugtig of lugtigjes, lugtiglyk gekleed zyn [1717; Marin NE]. Afleiding van lucht met het achtervoegsel → -ig.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

luchten* in de uitdrukking iemand niet kunnen luchten of zien [niet kunnen uitstaan] {enen niet mogen luchten [iem. reuk niet kunnen verdragen, zijn nabijheid niet kunnen verdragen] 1562-1592} betekent luchten eigenlijk ‘ruiken’, afgeleid van lucht.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

luchten ww. Afl. van lucht. Niet uit ’t Mnl. bekend, ook in iemand niet kunnen luchten (reeds in de 16de eeuw: enen niet moghen luchten) een afl. van lucht, met de bet. “ruiken”: vgl. de lucht krijgen, hd. wittern, fr. éventer enz.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

luchten o.w., denom. van lucht, = de lucht, d.i. den reuk van iets hebben.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

luuchten 1, ww.: uitstaan, dulden. Altijd negatief iemand niet kunnen luchten. Met gesloten u voor luchten ‘de lucht van iets/iemand ruiken, verdragen’.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2lug ww.
1. Aan vars lug blootstel of vars lug inlaat. 2. Uiting gee aan.
Uit Ndl. luchten (1737 in bet. 1, 1793 - 1796 in bet. 2). Eerste optekening in Afr. in bet. 1 in Patriotwoordeboek (1902).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

luchten ‘aan de (frisse) lucht blootstellen; frisse lucht inlaten’ -> Fries luchte ‘aan de (frisse) lucht blootstellen; frisse lucht inlaten’.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1443. Iemand niet kunnen luchten of zien,

d.w.z. iemand niet kunnen uitstaan, niet kunnen ruiken noch zien (fr. ne pas pouvoir sentir qqn.; hd. einen nicht riechen können), welke beteekenis het wkw. luchten in de middeleeuwen reeds had. Zie Despars, 4, 383: Dies hem tghemeente zo overgrootelix belchde, dat zy hem niet langher ghesien en mochten nochte luchten. Vgl. het Mnl. Wdb. IV, 864; Anna Bijns, N. Refr. 16; 87; Uitlegk. Wdb. op Hooft II, 224; Winschooten, 146: Iemand niet mogen lugten, iemand niet kunnen dulden, en hier van seid men: ik mag die vent niet sien nog lugten; Brederoo I, 59, 1523; 231, 511: De dingen die teghen menkander strijen en mogen menkaar in 't minste luchten noch lyen; Gew. Weeuw. III, 70: Al was je mijn dood Vyand, die ik pas zien of luchten mocht; C. Wildsch. I, 189; III, 279; IV, 81; Tuinman I, 171; Sewel, 463; Halma, 328: Zij mag die vent zien nog lugten, elle ne peut ni voir ni souffrir ce drolle-là; Sewel, 463; Harrebomée III, 45; Nest, 75; Prikk. V, 15; Gunnink, 165; De Bo, 354: ik kan hem gezien noch geluchten; Schuerm. 146: ik en kan dien vent niet geluchten (of ook geduchten); in het Waasch Idiot. 250 a: iemand niet kunnen gerieken, niet kunnen verdragen; Claes, 202: ik kan hem niet rieken, d.i. dulden, lijden; fri. ik mei dy loaije kerel net luchtsje; syn. van iemand niet kunnen hooren of zien o.a. bij Campen, 109: Ick en mach hem niet hoeren oft sien.(Aanv.) Zie nog Ndl. Wdb. VIII, 3164.

1925. In een slechten (of kwaden) reuk staan,

d.w.z. niet gunstig bekend zijn; eig. bekend staan als een slechten reuk hebbende, zoodat men hem niet kan luchten of rieken (Zuid-Nederland); eigenschappen bezitten, die bij anderen eene onaangename gewaarwording te weeg brengen, bij vergelijking met iets dat stinkt. Vgl. het mnl. stinken vore enen, gehaat zijn bij iemand; hd. er stinkt vor mir, ist mir zum ekel; eng. to stink, in slechten reuk staan. Vgl. Sewel, 673: In een goede reuk zyn, to have a good character or reputation. Hiernaast kwam in denzelfden zin voor: een slechten geur hebben, o.a. in Van Effen's Spect. IX, 98: De plaatsen, daar de verketterde Arrius, en de strenge Govard met de bult het leven kwyt gingen, hebben een slechte geurHier waarschijnlijk een woordspel, daar die plaats de ‘bestekamer’ was.; Afrik. hy staan in 'n slegte (goeie) ruik. Vgl. fr. (n')être (pas) en bonne odeur; hd. in gutem, schlechtem Geruche stehen; eng. to be in good (bad) odour. Zoo spreekt men ook van een reuk (of geurNkr. VII, 27 Dec. p. 5. In het Zondagsblad van Het Volk, 1905 p. 256: Omdat de familie V. in een reuk van hekserij had gestaan.) van heiligheid, de kenmerken van heiligheid, in de uitdr. ‘in een reuk van heiligheid staan’, voor zeer godvruchtig doorgaan, de sporen van heiligheid vertoonen; fr. être en odeur de sainteté; hd. ein Geruch der Heiligkeit; eng. an odour of sanctity. Zie Ndl. Wdb. IV, 1895; Taalgids I, 203 en vgl. de uitdr. Daar is, kleeft of zit een luchtje aan, dat is niet in den haak, die zaak is niet pluis, ook van personen gezegd, die in een kwaden reuk staan (M.z.A. 13; Nkr. V, 24 Juni p. 6; Nw. School II, 149; De Arbeid, 7 Nov. 1914 p. 2 k. 1; Amstelv. 152; Gron. 261: 't Is jandoppie of 'r 'n luchtje aan 't huwelek kleeft; De Nw. Amsterdammer, 9 Januari 1915 p. 1 k. 4: De voornaamste nieuwsagentschappen der wereld vervullen een officieuse rol, waar al te vaak een luchtje aan is); Ndl. Wdb. VIII 3130; fri. der is in forkearde lucht oan; Afrik. daar is 'n ruikie (geurtjie) aan. Vgl. ook Bij iemand in den (of goeden) geur staan, dat wil zeggen in een goeden reuk staan bij iemand, bij hem in den pas staan, een wit voetje hebben bij iemand. Zie Sjof. 198: Dat was de manier om in de geur te komen; Het Volk, 7 Jan. 1914 p. 5 k. 2: De firma D. heeft ook een winkel. Zij verkoopt schoonmaakbenoodigdheden en de vrouwen moeten, willen zij niet al te slecht in den geur staan, zoo nu en dan eens wat koopen; 3 Maart 1914 p. 10 k. 3: Wie het goedkoopst werkt, staat bij de administratie het meest in den geur; 15 Mei 1914 p. 7 k. 4: Bij de justitie stond hij al evenmin in goeden geur; De Arbeid, 4 Juli 1914 p. 3 k. 4: Door z'n optreden tegen de arbeiders kwam hij natuurlijk in den geur bij de heeren fabrikanten; Nkr. III, 14 Febr. p. 6:

 Een agent in Amsterdam
 Komt gauw in de geur en
 In de gunst van zijnen chef
 Door veel te bekeuren.

Nkr. II, 6 Dec. p. 6: Ben je van de kleur der regeering en sta je in den geur; Jord. II, 59: Als je eenmaal bij hem in de geur staat as meid, kijkt ie je dood!

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal