Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

louter - (onvermengd, zuiver); (slechts)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

louter bn. ‘onvermengd, zuiver’; bw. ‘slechts’
Mnl. louter gout ‘zuiver goud’ [1390-1410; MNW-R]; vnnl. louter ‘zuiver, puur’ [1599; Kil.]. Als bijwoord vooral in de verzwakte betekenis ‘slechts, alleen’ [1676; WNT].
Ontleend aan Hoogduits lauter ‘zuiver’. De verwachte vorm van dit erfwoord is mnl. luter, dat inderdaad is aangetroffen: onl. offringa luttira (mv.) ‘reine offers’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. ein uil luter brunne ‘een zeer heldere bron’ [1201-25; CG II]; en voor het laatst in de gediftongeerde vorm luyter [16e eeuw; WNT].
Os. hlutter; ohd. hlutter, hlūter (nhd. lauter); ofri. hlutter (nfri. lotter); oe. hluttor, hlūtor; got. hlūtrs, alle ‘zuiver’, < pgm. *hlūtra-, *hluttra-. In sommige West-Germaanse vormen trad geminatie op van -t- > -tt- voor -r-, zoals in → akker, met verkorting van de lange klinker.
Verdere etymologie onzeker. Pgm. *hlūtra- kan teruggaan op pie. *ḱlud-ro- en dan verwant zijn met: Grieks klúzein ‘spoelen, reinigen’ < pie. *ḱlud- (zie ook → klysma); en misschien ook met pie. *ḱleuH- ‘reinigen, spoelen’ (IEW 607, LIV 335), waaruit: Vroeglatijn cluere, klassiek Latijn cloāre ‘reinigen’, cloāca ‘riool’; Litouws šlúoti (1e pers.ev. šlavù) ‘schoonvegen’. De lange pgm. *-ū- wordt dan niet verklaard. Men kan ook pie. *kluHd-ro- reconstrueren, dat dan alleen te verbinden is met Proto-Slavisch *kl'udŭ ‘orde, fatsoen’ < pie. *kleuHd- (Russisch dial. kljud' ‘id.’, Tsjechisch klid ‘kalmte’).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

louter [zuiver] {luter, louter 1201-1225} < middelhoogduits lūter, verwant met oudnederlands hluttir, oudsaksisch hlūttar, oudengels hlūttor, gotisch hlutrs; buiten het germ. oudlatijn cluere [reinigen], latijn cloaca [riool], grieks kluzein [bespoelen] (vgl. klysma). ‘Louter’ moet oorspr. hebben betekend ‘gewassen’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

louter bnw., komt aan het eind der Middeleeuwen op en overgenomen < nhd. lauter. Dit is mnl. lûter, lutter, onfrank. lŭttir, os. hlŭttar, ohd. hlūttar, lūttar, ofri. hlŭtter, oe. hlūtor, hlŭttor, got. hlūtrs ‘rein, zuiver’ — Men verbindt dit bnw. met gr. klúzō ‘spoelen’, klúdōn ‘golfslag, branding’, olat. cluo ‘reinigen’, lit. šlúoju, šluoti ‘vegen, afwissen’, šluota ‘bezem’ (IEW 607). — De grondbet. van louter is dus ‘schoongewassen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

louter bnw., hoogstzelden reeds later-mnl. Uit hd. lauter, dat op ohd. (h)lûttar “helder, zuiver” teruggaat. Dit = mnl. lûter, lutter, onfr. lū̆ttir, os. hlū̆ttar, ofri. hlū̆tter, ags. hlûtor, hlū̆ttor, got. hlûtrs “id.”. Wsch. verwant met gr. klúdōn “golfslag”, klúzō (*klíd-jō) “ik spoel”. Idg. ḱlud- is een afl. van ḱlu-, waarvan oudlat. cluo “purgo”, lat. cloâca “afvoerkanaal”, lit. szlů́ju, szlů́ti “vegen”, waarbij nog kymr. clir “zuiver”; ook de ier. riviernaam Cluad? Anderen gaan van qlud- uit en combineeren met louter čech. kliditi “reinigen”, klouditi “schoon maken”, russ. kľúd́ “orde, fatsoen”; hierbij alb. ḱuł “pap”??

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

louter bijv., uit Hgd. lauter; de Ndl. vorm ware *luiter, Mnl. luter, Os. hlŭttar + Ohd. hlûttar (Mhd. lûter, Nhd. lauter), Ags. hlútor, Ofri. hlŭtter, Go. hlûtrs + Gr. klúzein = wasschen, Lat. cluere = zuiveren. cloaca = waterafloop: Idg. wrt. kleu̯d = wasschen, reinigen. Evenals bitter zonder klankverschuiving in ’t Hgd.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

loeter 1, bw.: louter, zuiver, helder. Mnl. luter ‘helder, zuiver, rein’. Ohd. (h)lûtar, Mhd. lûter, Oe. hlûtor, Os. hluttar, Got. hlûtrs ‘helder, zuiver’. Vermoedelijk verwant met Gr. kluzô ‘ik spoel’, Lat. cluo ‘ik reinig’. De oorspr. bet. is dan ‘schoongewassen’. De Br. en Limburgse vorm loeter heeft de Germaanse [u:] onverschoven bewaard. Ndl. louter is aan Mhd. louter, D. lauter ontleend.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

loeter 1, loeder, bn., bw.: zuiver, helder. Mnl. luter ‘helder, zuiver, rein’. Ohd. (h)lûttar, Oe. hlûtor, Os. hluttar, Got. hlûtrs ‘helder, zuiver’. Vermoedelijk verwant met Gr. kluzô ‘ik spoel’, Lat. cluo ‘ik reinig’. De oorspr. bet. is dan ‘schoongewassen’. De Brabantse vorm loeter heeft blijkbaar de Germaanse [u:] onverschoven bewaard. Ndl. louter is aan Mhd. louter, D. lauter ontleend.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

lôêter louter (Veluwe, Kempen). = hgd. lauter ‘id.’, mnl. lûter ‘id.’, got. hlūtrs ‘rein’. ~ gr. klúzoo ‘ik spoel’, lit. šluoti ‘afwissen’. Grondbetekenis is dus ‘schoongewassen’. Nl. louter « hgd. lauter. De oe heeft affectieve waarde.
Van Schothorst 169, NEW 413, Hoppenbrouwers (1996) 215.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

louter: alleen, net, onvervals; Ndl. louter (tydens oorg. Mnl./Nnl.) uit Hd. lauter, Oeng. hlūtor, Got. hlūtrs, “rein, suiwer”, hou verb. m. Gr. kluzein, “spoel, was” – ouer bet. v. louter blb. “skoon gewas”.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

louter (Duits lauter)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Louter van ’t Hgd. lauter en dit van den Germ. wt. hlut, dat waarschijnlijk: gewasschen zijn bet.; vgl. Lat. lautus = eig. gewasschen, daarna: rein, zuiver, schoon, prachtig.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

louter ‘zuiver’ -> Fries louter ‘zuiver’; Zweeds lutter ‘zuiver’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

louter zuiver 1201-1225 [CG II1 Floyris] <Duits

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

k̑leu-2 : *k̑lō[u]- : k̑lū- ‘spülen, rein machen’, Erweiterung k̑leu-d-, lett. auch k̑lō̆u-k-.

Gr. κλύζω (*κλύδι̯ω) ‘spüle’, κλύδων m. ‘Wellenschlag’, κλύσμα n., κλυσμός m. ‘Plätschern’, κλυστήρ m. ‘Klistierspitze’, Wurzelnomen Akk. Sg. κλύδα ‘Woge’;
altlat. cluō ‘purgo’ (*k̑lou̯ō), lat. cloāca (cluāca, clovāca) ‘Abzugskanal’;
altgal. Cluad, acymr. Clut, Ptol. Κλώτα Flußname, engl. Clyde (kelt. *kloutā); cymr. clir ‘hell, klar, heiter, rein’ (*k̑lū-ro-s);
got. hlūtrs, ags. hlūt(t)or, as. ahd. hlūt(t)ar ‘hell, rein, klar’, nhd. lauter (*klūd-ro-s); anord. hlér ‘See, Meer’ (*hlewa-, idg. *k̑leu̯o-);
lit. šlúoju, šlaviaũ, šlúoti, dial. šlavù (= lat. cluō) ‘fegen, wischen’, šlúota ‘Besen’, lett. sluôta ds.; Erweiterung k̑lō̆u-k- in slaũcît ‘fegen, wischen’, slaukšēt ‘platschen, pladdern’, slàukt ‘melken’, lit. šliaukti, šlaukýti ‘fegen’.
Vielleicht Erweiterung eines *k̑el- ‘feucht, naß’, das auch folgenden Wurzeln zugrunde liegt: k̑lep- ‘feucht’ (s. dort), k̑lek- ds. (lit. šlakù, -ė́ti ‘tröpfeln’, šlė̃kti, šliknóti ‘spritzen’usw.), k̑leg(h)- ds. (russ. slezá ‘Träne’, aksl. slьza ds.). Wenn dies zuträfe, wäre für k̑leu- : k̑el- das Verhältnis sreu- ‘fließen’ : ser- entweder Vorbild oder Parallele.

WP. I 495 f., WH. I 239 f., Trautmann 307.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal