Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

losbol - (lichtzinnig mens)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

losbol zn. ‘lichtzinnig mens’
Vnnl. losbol, loshoofd ‘wispelturige kerel’ [1691; Sewel NE], een jonghe los-bol, die niet had willen studeren [1696; WNT].
Samenstelling uit het bn.los 1 en → bol 1 in de overdrachtelijke betekenis ‘hoofd’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

losbol* [lichtzinnig mens] {1696} van los2 + bol1 [hoofd].

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

losbol znw., nog niet bij Kil. -bol = “hoofd”. Vgl. zwierbol.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

losbol s.nw.
Ligsinnige, losbandige, gewoonlik manlike persoon.
Uit Ndl. losbol (1696), 'n samestelling van los en bol 'kop'.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

losbol* lichtzinnig mens 1696 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal