Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

los - (niet gebonden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

los 1 bn. ‘ongebonden, niet vast’
Mnl. los ‘vrij, ongevangen’ [1270-90; CG II], ‘ongehinderd, onbelast, onbezwaard (door belasting, voorwaarden e.d.)’ [1277; CG I], los van pinen ‘vrij van pijn, zonder pijn’ [1276-1300; CG II], om dit te maken los ‘om hier een einde aan te maken’ [1315-35; MNW-R]; vnnl. los ende ledig ‘leeg’ [1550; WNT], los ‘niet vast’ in den knoop is los [1573; Thes.], ‘niet stevig’ in losse hangende wangen [1612; WNT], ‘niet in een verpakking of omhulsel’ in den lossen ryst [1628; WNT].
Mnd. los; ofri. los (nfri. los); < pgm. *lusa- (nultrap). Volgens FvW hoort hierbij ook met korte klinker mhd. *los, dat geïmpliceerd wordt door Moezelfrankisch las en Karinthisch lōs. Daarnaast staan ablautend → loos < pgm. *lausa- met de afleiding → lozen, met andere ablaut het sterke werkwoord → verliezen < pgm. *-leusa-. Zie ten slotte nog de jongere afleiding → lossen.
Pgm. *leusa-/lausa-/lusa- is een alleen in het Germaans voorkomende -s-uitbreiding van de wortel pie. *leuH-/louH-/luH- ‘los maken, afsnijden’ (LIV 417), waaruit: Grieks lúein ‘id.’ (zie bijv.analyse, → dialyse, → katalysator); Latijn luere ‘vrijkopen, aflossen; boeten voor; betalen’, solvere < *se-luere ‘losmaken, verlossen, oplossen’ (zie → solutie); Sanskrit lunā́ti ‘afsnijden’; Albanees laj ‘ik los af’; Tochaars A lyu, Tochaars B lyuwa ‘stuurde weg’. Misschien is ook pgm. *lawa- ‘afgeschilde schors’ < pie. *lou- verwant, zie → looien.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

los2* [niet gebonden] {los(se) [vrij, los] 1277} ablautend met loos1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

los 2 bnw. mnl. los, vrij, zonder, weg’, mnd. los uit een grondvorm *lusa naast *lausa in loos 3.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

los II bnw., mnl. los “los, vrij, kwijt, zonder, weg” (uitsluitend of bijna uitsluitend in den onverbogen vorm). = mnd. los “id.”. Men houdt los wel voor een met loos II ablautenden vorm; wegens ’t vroege voorkomen en de groote verbreiding van den vorm (vgl. moezel-frank. las, karinthisch lōs, die mhd. *lŏs veronderstellen) is dit aannemelijker dan dat ŏ uit ô is ontstaan (vgl. bros, dof, lof I).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

los II bnw. Na lossen is uitgevallen: “ww., mnl. lossen”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

los 2 bijv.(niet vast), Mnl. id. + Ndd. id., Ags. los (Eng. loss = verlies): vertoont den zw. graad van den wortel van verliezen, namelijk wrt. leus ontbinden (z. loos 3).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

los: losse buik (de), diarrhee. De volgende dag reeds* werd het kind ziek. Hoge koortsen, braken en losse buik (Dobru 1968b: 26). - Etym.: S loesbere (loesoe = los; bere = buik). Vgl. het verouderende AN: loslijvigheid.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

los I: sonder, vry, nie-vas; Ndl. los (Mnl. los), wsk. verb. m. Ndl. loos (Mnl. loos), Hd. los, Eng. loose (via N.); verb. m. Ndl./Afr. ww. los(sen).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

los en liber (Frans libre)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

los ‘niet gebonden’ -> Deens (kaste) los ‘(scheepvaart) niet gebonden; (commando) maak los!’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors kaste loss ‘losgooien van een schip’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds (kasta) loss ‘niet gebonden, scheepvaart: touwen en zeilen losmaken’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch los ‘niet gebonden; losjes; toegeeflijk’; Ambons-Maleis los ‘niet gebonden’; Balinees los ‘niet gebonden, kapot’; Jakartaans-Maleis los ‘niet gebonden’; Kupang-Maleis los ‘niet gebonden’;? Madoerees loslos, lesles ‘losgaan van een touw’; Menadonees los ‘vliegertouw laten vieren’; Berbice-Nederlands losi ‘niet gebonden’; Papiaments lòs (ouder: los) ‘niet gebonden’; Sranantongo lusu ‘niet gebonden’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

los* niet gebonden 1277 [CG I1, 372]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2034. Op (losse) schroeven staan (- zetten),

d.w.z. onzeker, onvast staan of maken, zoodat er niet op te bouwen is; hd. auf Schrauben stehen, setzen, unfest, so dasz jederzeitige lösung möglich istGrimm IX, 1651. In V- Janus, 252 komt de uitdr. voor in den zin van vast staan, als het ware vastgeschroefd.. Zie Pers, 567 b: Louis de Requesens, die der landen vryheeden socht op schroeven te stellen; 602 a; 710 b; Hooft, Ned. Hist. 984: 't Welk 't heele werk op schroeven stelde; 159: Dat deeze woorden op schroeven staande hoe schoonder van schyn, hoe ydeler of bedrieghelyker van gronde waren; Tuinman I, 236: ‘'t Staat op schroeven, dit zegt men van 't geene geen zekere vastigheid heeft’, dat van het hoofd, de hersenen, gezegd ook voorkomt bij Langendijk, Wederz. Huw.-Bedrog, vs. 1079Vgl. De Bo, 774: Ontdraaid zijn, niet wijs zijn; syn. van er is 'nen snaar (of een vijs) los; hd. ihm ist eine Schraube los; verschroben oder verdreht sein; oostfri. 'n schrufe lös hebben, die Folge davon ist, dasz es einem solchen im Kopfe rappelt (Dirksen I, 45); eng. he has (got) a screw loose somewhere; fr. il manque un clou à son casque. In het Friesch: hy is ut 'e skroeven, hij is in verrukking.. Mèt het bijv. naamw. los komt de uitdr. evenwel ook reeds in de 18de eeuw voor, zooals blijkt uit Sewel, 713: Zyn hoofd staat op losse schroeven ('t is een loskop), he is a weather cock, a wild goose, waarvoor thans nog in Limburg gezegd wordt de kop staat hem net als op een wervel (Welters, 80); Harreb. II, 262; Ndl. Wdb. VIII, 2953; De Telegraaf, 2 Dec. 1914 (ochtendbl.), p. 3 k. 4: De mobilisatie heeft dezen zomer veel op losse schroeven gezet; Nw. School VI, 206: Heel ons optreden bestond in een op losse schroeven zetten van vastgeroest-ingedraaide waarheden; Handelsblad, 6 April 1915 (avondbl.), p. 5 k. 4: Het is toch heel jammer, dat die ellendige oorlog op losse schroeven zet de pogingen om te komen tot een gezond internationalisme. Syn. was op rollen staanJanssen, Chr. Verm. 270: De dronckenscap verstomt de geest, en helptse als aen 't hollen, en maeckt 'et menschen breyn verbeest, en schroeveloos op rollen (Ndl. Wdb. XIII, 928)..

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

leu-2 ‘abschneiden, trennen, loslösen’, auch leu̯ǝ- und lēu- : lǝu- (: lū̆-), z. T. leu-s-, lū̆-no- ‘geschnitten’

Ai. lunā́ti, lunṓti ‘schneidet, schneidet ab’, lūná- ‘abgeschnitten, geschnitten’ (: mir. lon), lavítra- n. ‘Sichel’, laví- f. ds. (: gr. λαῖον, aisl. ds.), lava- m. ‘das Schneiden, Schur, Wolle, Haar, Abschnitt’, lāva- ‘schneidend’, lāvaka- m. ‘Abschneider, Mäher’;
gr. λύω ‘löse, befreie; vertilge usw.’, λύᾱ f. ‘Auflösung, Trennung’, λύσις f. ‘Lösung’, λύτρον n. ‘Lösegeld’; βου-λῡτός m. ‘Zeit des Ausspannens der Rinder, Abend’ (: so-lūtus); λαῖον ‘Pflugschar’ (λαι̯ον; vgl. aisl. , mnd. , lehe ‘Sichel’ aus *lewan- und ai. laví- ds.); ἀλωή, att. ἅλως f. ‘Tenne’;
alb. laj ‘zahle eine Schuld’ (*lǝuni̯ō, ablautgleich mit gr. λα(ϝ)ῖον); përlaj ‘beraube’, vielleicht auch letë ‘Mähne’ (*leu-t-) und (von der Wurzelf. auf -s) lesh (*leus-) ‘Wolle, Haar’ (vgl. dieselbe Bed. in ai. lava-); da nach Jokl L.-k. U. 127, 147 ff. fluer ‘Fach einer Truhe’ (*vë-lor- aus idg. *lēu-r-), sh-lor ‘Hangegerüst’, pluar (*pë-luar) ‘Pflugschar’, lug, lugu ‘Trog’, flugë ‘Brett’, lugë ‘Löffel’;
lat. luō, -ere ‘büßen, zahlen’, in Glossen ‘λύω’, reluō ‘löse wieder ein’, solvō (*se-luō) solūtus ‘lösen’, luēs (‘*Auflösung’, daher:) ‘unreine Flüssigkeit usw.’;
mir. lon ‘Hammel, Schöps’ (: ai. lūná-), air. loë f. ‘Wolle, Fließ’ (*lōu̯i̯ā), ló ds. (*lōu̯ā);
got. lun Akk. Sg. ‘Lösegeld’, us-luneins ‘Erlösung’, ags. ā-lynnan ‘erlösen’; aisl. lȳja ‘schlagen, (mürbe) klopfen, entkräften’, Partiz. lūinn ‘ermüdet’, nisl. lūi ‘Ermattung’; aisl. m. ‘Sichel’ (s. oben); *lawa ‘abgelöste Rinde als Gerbmittel’ in ahd. , Gen. lōwes n. nhd. Lohe, mnd. ds.; aisl. lǫgg f. ‘Bodensatz’ (*lau̯u̯ō); ahd. līh-lawi (līhlōa, līhla), mnd. līk-lawe ‘Narbe’ (ibd.); aisl. lūðr ‘Trog’ (ausgeschnittener, gehöhlter Stamm); ahd. lūdara ‘Wiege’; ablaut. schwed. dial. ljuder ‘alter Riß an einem Baum’;
mit der Bed. ‘abgeschnittenes Brett’ hierher russ. láva ‘Brett, Bank, Steig’, lit. lóva ‘Bettgestell’, lett. lāva ‘Pritsche, Bettstelle’, dän. älter lo, schwed. lofve, loge, aschwed.loi, lo, aisl. lōfi m. ‘Tenne, Scheuer’ (aisl. lāfi ist eine alte Ablautform *lēwan-);
toch. A lo, В lau ‘entfernt, getrennt’; A law-, В lyu- ‘fortschicken’; A lot ‘Graben, Loch’;
hitt. lu-uz-zi (luzzi) ‘Steuer, Belastung’ (vgl. gr. λύτρον).
s-Erweiterung: got. fra-liusan, ahd. far-liosan ‘verlieren’; got. fralusnan ‘verlorengehen’, aisl. losna ‘lose, locker werden’, losa ‘lösen’, postverbal los n. ‘Lösung’, ags. losian ‘verlorengehen’, Denomin. zu los n. ‘Verlust’; lysu ‘schlecht, böse’ (*lusiwa-), got. fralusts, ahd. forlust ‘Verlust’; got. laus ‘los, leer’, aisl. lauss ‘frei, lose, aufgelöst’, ahd. lōs ‘frei, beraubt, lose’, ags. lēas ‘leer, beraubt, betrügerisch’, aisl. lausung f. ‘Unzuverlässichkeit’, ags. lēasung ‘Lüge’, lēasian ‘lügen’; got. lausjan, ahd. lōsian, lōsōn ‘losen’; vielleicht adän. liuske m. ‘Weiche’ > aisl. ljōski, mnd. lēsche, mndl. liesche, nndl. lies, ags. léosca ‘Weiche’, sowie mndl. liesche ‘dünne Haut’, schweiz. lösch ‘locker’; mit einer Bedeutung ‘(los)schlagen, klopfen’ wohl auch aisl. ljōsta ‘schlagen, stechen, treffen’, ljōstr ‘Gabel zum Fischstechen’, nisl. lustr ‘Knüttel’ (‘*abgehauenes Aststück’); als alt wird diese Anwendung erwiesen, wenn mir. loss ‘Schwanz, Ende’, cymr. llost ‘Speer’, llosten ‘Schwanz’, bret. lost ‘Schwanz’ anzureihen sind;
hierher (Specht Idg. Dekl. 56) lett. laûska ‘Splitter, Scherbe’, ablaut. lit. lùskos ‘Lumpen’, lùzgana ‘Hülse, Schuppe’, lusnà ‘Hülse, Schale’, russ. lustá ds., usw. Möglicherweise verwandt ist *lēu- ‘Stein’, s. dort.

WP. II 407 f., WH. I 830, 834 f., Wissmann Nom. postverb. 84 ff.; aus vorrom. und vorgerm. *leiskā, *leuskā, *laskā in nhd. Lische, frz. laîche usw. ‘carex’ erschließt J. Hubschmid ZcP 24, 81 ff. ein idg. elei-, eleu-, elǝ- ‘schneiden’.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal