Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lopen - (gaan)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

lopen ww. ‘zich (te voet) voortbewegen, gaan’
Onl. loupon ‘lopen’ in te loupom (lees louponi) weh ‘om de weg te lopen’ [10e eeuw; W.Ps.], louphen [ca. 1100; Will.]; mnl. lopen ‘hardlopen, rennen’ [1240; Bern.], ook algemener van zaken ‘zich voortbewegen’ in menech bitter traen lip ... vt haren oghen ‘er stroomde menige bittere traan uit haar ogen’ [1265-70; CG II], ande nortzide loeph een waterghanch (lees loept) ‘aan de noordzijde stroomt een sloot’ [1264; CG I].
Os. hlōpan ‘rennen’ (mnd. lopen); ohd. loufan ‘rennen’ (nhd. laufen); ofri. hlāpa ‘rennen’ (nfri. ljeppe ‘springen (met een polsstok)’); oe. hlēapan ‘springen, rennen’ (ne. leap ‘opspringen’); on. hlaupa ‘rennen, springen’ (nzw. løpa); got. ushlaupan ‘opspringen’; < pgm. *hlaupan-. Hierbij ook het abstractum → loop.
Verdere herkomst onbekend. Geen zeker verwante woorden buiten het Germaans; misschien Litouws klùbti (1e pers. ev. klumbù) ‘struikelen’, Lets kluburāt ‘strompelen’ < pie. *klubh- (de varianten Litouws klùpti (1e pers. ev. klumpù), Lets klupt ‘struikelen, knielen’ zijn secundair). Pgm. *hlaup- wijst op pie. *kloub- (LIV 364). De variatie van de slotmedeklinker van de wortel is in elk geval niet Indo-Europees. Bovendien is de semantische samenhang tussen de Baltische en de Germaanse woorden zeer twijfelachtig. Zie ook → galopperen.
De oudste betekenis in het Nederlands is wrsch. net als in de meeste andere Germaanse talen ‘rennen, hardlopen, springen’. Het werkwoord → gaan heeft met lopen al vanaf het Middelnederlands vele overdrachtelijke betekenissen en betekenisnuances gemeen, maar mist het element ‘snelheid, onstuimigheid’. In het huidige NN heeft lopen dit kenmerk verloren, maar in het BN bestaat het onderscheid nog steeds: met BN gaan en lopen corresponderen ongeveer NN lopen resp. rennen.
Lit.: Polomé 1986, 663

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lopen1* [gaan] {oudnederlands loupon 901-1000, middelnederlands lopen} oudsaksisch hlopan, oudhoogduits (h)loufan, oudfries hlāpa, oudengels hleapan (engels to leap) [springen], oudnoors hlaupa, gotisch -hlaupan; i.-e. verbindingen zijn onzeker.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lopen 2 ww. mnl. lôpen, onfrank. loupon, os. hlōpan, ohd. hloufan, loufan, louffan (nhd. laufen), ofri. hlāpa ‘lopen’ (en hlāpia ‘springen’), oe. hlēapan ‘lopen, springen’, on. hlaupa, got. hlaupan ‘lopen, springen’.

Etymologie onzeker. De verbinding met lit. klumpù, klùpti ‘knielen, struikelen’, lett. klupt ‘struikelen’ (Zupitza, Gutt. 118) is wegens het verschil in betekenis zeer twijfelachtig. — Even onzeker de vergelijking met lit. šlùbas ‘hinkend’, šlubuoti ‘hinken’ (WP 1, 473). — J. Trier, Lehm 1951, 58 wil de idg. wt. *kleu- opvatten als afl. van *kel ‘verbergen’, maar eig. term van de vakwerkbouw en gaat uit van de bet. ‘springen, dansen’ en wel van een rituele dans om een heiligdom. Dan moeten wij uitgaan van een bet. ‘kring’, die verder wijst op die van ‘omheining’. In dit geval kan men ook de lit. woorden voor ‘hinken’ aansluiten; dan als een bijzondere wijze van rituele ronddans?

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

loopen ww., mnl. lôpen. = onfr. loupon, ohd. (h)lou(f)fan (nhd. laufen), os. hlôpan, ofri. hlâpa “loopen” (hlâpia “springen”), ags. hlêapan “loopen, springen” (eng. to leap), on. hlaupa “id.”, got. hlaupan (in samenst.) “id.”. Vergeleken wordt lit. klumpù, klùpti “op de knieën vallen, struikelen”. De p levert echter bezwaar op: dat germ. p via pp op bn zou teruggaan, is niet wsch. Direct kan lett. kluburât “kreupel gaan” met loopen gecombineerd worden; voor de bet. vgl. hinken. Lit. klùpti is bezwaarlijk van opr. po-quelbton “geknield” te scheiden. Dat ook dit benevens gr. kálpē “draf” (*kwalpā) met loopen verwant zou zijn, is niet wsch. — Hierbij het znw. loop, mnl. loop m. = ohd. louf (nhd. lauf), mnd. lôp m. “loop”, ofri. hlêp in bec-hlêp m. “sprong op den rug”, ags. hlîep m. “sprong”, wgerm. *χlaupi-, naast on. hlaup o. “loop, sprong” uit *χlaupa-.

[Aanvullingen en Verbeteringen] loopen. Mogelijk hierbij: serv. kljȕsati “draven”, obg. kljusę “jumentum” (beide zuid- en westslav.) met idg. b-s.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

lo[o]pen. Overweging verdient de combinatie van *Hofmann Géras 51 (vgl. Petersson IF. 35, 272) met lit. šlùbas ‘lam, hinkend’, šlubúoti ‘hinken’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

loopen ono.w., Mnl. lopen. Onfra. loupon, Os. hlôpan + Ohd. hlouffan (Mhd. loufen, Nhd. laufen), Ags. hléapan (Eng. to leap), Ofri. hlápa, On. hlaupa (Zw. löpa, De. løbe), Go. hlaupan = springen + Lit. klúpti = hinken, Let. kluburût = kreupel gaan.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

loupe (ww.) lopen; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) loupen, Aajdnederlands loupon <901-1000>.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

loop ww.
1. Op bene of pote voortbeweeg. 2. (t.o.v. sake) Hom voortbeweeg. 3. Stroom of vloei. 4. Strek, duur. 5. Uitgestrek of geleë wees. 6. In werking wees. 7. (geselstaal) 'n Kursus volg. 8. In groot getalle voorkom.
In bet. 1 - 7 uit Ndl. lopen (al Mnl. in bet. 1 - 5, 1697 in bet. 6, 1895 - 1896 in bet. 7). Bet. 8 is 'n leenbetekenis van Eng. run (1743). In school loopen of college loopen beteken loopen eerder 'bywoon' as ''n kursus volg', maar die verband is duidelik. Ndl. lopen (1898 - 1920) word soms gebruik om die beweging van diere, bv. swem, vlieg of kruip, aan te dui, maar dit beteken nie 'in groot getalle voorkom' nie.
D. laufen.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

lopen: je mond loopt te veel, je praat, je babbelt (ev. roddelt) te veel. Zie Cairo 1980b: 39. - Etym.: S ’joe mofo waka’ = lett. ’je mond loopt’.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Loop ww., in Afrikaans die gewone woord vir Ndl. wandelen. – Boekenoogen 592: “Loopen, wandelen. Ik gaan nag (nog) eers ’en endje loopen.”

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

lopen. De gebiedende wijs loop of loopt wordt gewoonlijk gebruikt in verdwijnverwensingen met de betekenis ‘maak dat je wegkomt!’ Vaak is die betekenis zelfs nog afgezwakt tot ‘ben je mal’, ‘och kom’ en dergelijke. Bij Bredero komt voor loop schijten! Wij kennen zonder volledig te willen zijn nog loop naar de blidderum; ~ naar de bliksem; ~ heen drieten; ~ naar de drommel; ~ naar de duivel; ~ fietsen; ~ naar de flikker; ~ naar de Fransen; ~ naar de galg; ~ naar de godverdomme; ~ naar je grootje; ~ naar de haaien; ~ hakken; ~ naar de hel; ~ hoepelen; ~ hutselen; ~ voor Joost; ~ om de jotjes; ~ kakken; ~ naar de kanaries; ~ naar de kloosters; ~ naar de kloten; ~ knikkeren; ~ naar de kno(p)pen; ~ naar de koekoek; ~ naar de maan; ~ naar de mik; ~ naar je (kanker)moer; ~ naar de Mokerhei; ~ naar de nondeju; ~ naar de Pampus; ~ naar de paters; ~ naar je peet; ~ naar peperland; ~ voor de pokken; ~ naar de pomp; ~ naar Pruis-Pommeren; ~ naar de ratsmodee; ~ rond; ~ schijten; ~ naar Sebaldeburen; ~ voor Sint Felten; ~ voor Sint Stuifzand; ~ voor Sint Truyen; ~ naar de sodemieter; ~ naar de stokken; ~ naar je tante; ~ naar de vaantjes; ~ naar de verdoemenis; ~ naar de wacht; ~ naar de wind; ~ naar de wip. De verwensing loop onder tram elf! werd een enkele keer aangetroffen. De betekenis ervan laat zich licht raden: ‘ik ben vreselijk boos op je en wens je het allerergste toe’. Al deze verwensingen zijn het gevolg van stemmingen als afkeer, irritatie, woede, teleurstelling of verontwaardiging. Dat geldt ook voor de verwensing loop toch dood!, die ik alleen in Roosendaal aantrof. Voor Vlaanderen geeft Mullebrouck (1984) op loop waar ge gaarne loopt, met uw muil in de wind!; loop speel met Lowietje op de zandhoop! en loop zeg het aan de paster van Lapscheure! De emotionele betekenis van deze verwensingen duidt op onverschilligheid en afkeer en kan weergegeven worden met ‘ik ben je zat en het interesseert me niet hoe en waar je naar toe gaat als je maar weggaat’. Uit dezelfde bron tekende ik op loop naar de Blauwe Eergisteren! De Blauwe Eergisteren is volgens Mullebrouck een ‘ingebeeld spookwezen’. Uit een in 1999 gehouden enquête bleek dat 13 van de 111 Vlaamse zegslieden de verwensing loopt waar ge gaarne loopt, met uw muil in de wind! (nog) kenden. Loop naar de blauwe eergisteren! is aan slechts 2 van hen bekend, loop speel met Lowietje op de zandhoop! aan 3 en loop zeg het aan de paster van Lapscheure! aan 11. → huis, kont, pomp.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Loopen, van den Germ. wt. hlaup = loopen, springen.

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

[verkeerd gebruik van een voorzetsel o.i.v. het Frans]
loopen. - Men zegt dat een gesprek over iets of iemand loopt; daaraan beantwoordt in het Fransch: la conversation roule sur quelqu’un, sur quelque chose. Op de volgende plaats is deze uitheemsche constructie overgenomen. || Zoodra hij weg was riep Romanie haar … bij zich en deelde haar den inhoud van ’t gesprek mede, dat steeds op haar geloopen had, BUYSSE in Nederland 1895, III, 187.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lopen ‘gaan’ -> Frans dialect † loper ‘hard lopen’; Zuid-Afrikaans-Engels loop ‘te voet gaan, weggaan’; Negerhollands loop, loo, lōp, lō, lo, lu ‘gaan’; Skepi-Nederlands lop ‘gaan’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lopen* gaan 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1745. Iemand overhoop (loopen, schieten, steken).

In het Middelnederlandsch werd over hoop gebruikt in de beteekenis van ter neder, omver, ‘welke zich bij het begrip vallen geleidelijk uit die van te zamen, de eene hoop op den anderen ontwikkelt’; bijv. Lanc. II, 38800: (Hi) reetter daer vive over hoop, dat si daer vielen metten perde sere gequetst op die eerde; Mnl. Wdb. III, 579; V, 2178. Voor lateren tijd zie Ndl. Wdb. XI, 1763; vgl. ook hd. jem. über den Haufen schieszen.

277. Op den boer gaan (loopen, reizen),

of ook den boer opgaan of zijn, d.i. het platte land afreizen om iets te verkoopen of te bedelen; later ook spottend gezegd van iemand, die voor politieke doeleinden daar lezingen houdt. Ook zegt men hiervoor den boer (de huizen der boeren) afloopen. De uitdr. dateert uit de 17de eeuw; zie Van Moerk. 147. In de middeleeuwen zeide men op de gaerde loopen (d.i. op iemands hof of bezitting loopen; hd. auf der Garde oder der Wurst reiten); gaerden, termine wanderen - loopen; op termine gaen, d.i. een bepaalde streek afloopen om te bedelen, inzonderheid van bedelmonniken gezegd; Ndl. Wdb. IV, 104; Antw. Idiot. 264 en Tijdschr. VI, 299.

948. Het hoofd loopt me om,

d.w.z. het hoofd, mijn gedachte, schijnt me als in een kring om te loopen, rond te draaien (eng. to reel); ‘uitdrukking van het gevoel van vermoeienis bij overgroote drukte van allerlei zaken, die tegelijk de aandacht vorderen, zoodat de geest onophoudelijk van het een op het ander moet overgaan.’ Vgl. Winschooten, 313: Mijn hoofd draaid mij, als een tol; Vondel, Sprookje van Reintje de Vos, 85: En zijn kop liep als een tol. In de 17de eeuw komt deze zegswijze voor bij Huygens, Hofw. 999: Ick wierd' er koortsigh af, en waer ick quam te wenden, daer draeyde my het hoofd; Vondel VIII, 492:

Zijn hooft liep om van zorge en nadocht, en de zinnen
Aen 't maelen, zwierden heene en weder.

Bij Hooft, Brieven, 355: U.E. zeidt wel de waarheidt daar aan, dat de tijdingen zulks zwindelen, en hassebassen, met elkandre te heeten liegen, dat'er eenen 't hoofd af ommeloopen zouw; Paffenr. 81: De kop loopt me om; Halma, 390; Tuinman I, 227: 't Hoofd loopt hem om, dat is, zyn herssens geraken aan 't draayen en maalen; Molema, 219 b: t lopt hom om kop, hij maalt; fri. de holle rint my om; de plasse mealt him; Ndl. Wdb. X, 398-399. In Zuid-Nederland: mijn kop draait (fr. la tête me tourne); hd. der Kopf schwindelt mir; nd. 't geit mi in'n Kopp rümm as'n Müllerad (Eckart, 285); eng. my head swims. In Twente: 'n 'kop löp mij oaver. Vgl. in ongeveer denzelfden zin: zijn hoofd verliezen; fr. perdre la tête; eng. to lose one's head.

2523. Loop niet in 't water!

wordt gezegd als waarschuwing tegen iemand die ingebeeld mooi en daarvan zoo vervuld is, dat hij in 't water zou kunnen loopen. Het gezegde dagteekent uit de 17de eeuw, blijkens Brederoo I, 28, 419:

 Jy bint te vervaarlijck frey, ick word' op jouw verlieft.
 Nu moetje een nieuwe duyt hebben om appelen te koopen.
 Bylo! siet wel voorje datje niet gaat in 't Water loopen.

Harrebomée I, 139: Je dochters loopen nog in het water.

1324. Tegen de lamp (aan)loopen (of vliegen),

d.w.z. er tegen aanloopenHandelingen der Stat.-Gen. 1913, p. 2827 k. 1: De heer Tydeman weet de dingen te zeggen op een andere manier dan de heer Duijs, zonder er parlementair tegen aan te loopen., er tegen loopen, vliegen of waaien, zooals men in Zuid-Nederland zegt; een scherpe berisping ontvangen. Vgl. Schoolm. 252: Keesjenlief viel in 't watertjen diep, waar hij natuurlijk tegen de lamp aanliep en dadelijk als drenkeling ontsliep; Nest, 5: Eens liep je zeker tegen de lamp; Het Volk, 17 Maart 1914, p. 3 k. 1: Kortelings was hij echter tegen de lamp gevlogen, wijl de kontroleur der Arbeids-inspektie tegen hem proces-verbaal had opgemaakt; Handelsblad, 2 Mei (ochtendbl.) 1914, p. 1 k. 6: Hij zeide zich te troosten met de gedachte, dat hij nog wel eenige tapijtjes zou plaatsen, alvorens tegen de lamp te loopen; 4 Dec. 1920 (O), p. 5 k. 6: Het intrekken van het rijbewijs is wel een ernstig nadeel voor den chauffeur, die dan aan den dijk zit, maar niet voor den eigenaar-bestuurder als deze het is die tegen de lamp.... rijdt; Dievenp. 129: Liep hij tegen de lamp, kwam een enkele maal een van zijn inbraken uit, dan liet hij zich kalm vonnissen; bl. 104: Tegen de lamp vliegen, waarnaast ook tegen de lampies slaan (in Handelsblad (ochtendbl.), 24 Maart 1912, bl. 5); Van Schothorst, 163: tegen de lamp loopen, gesnapt worden; Het Volk, 15 Mei 1914, p. 1 k. 3: Als ze failliet gaan, nemen ze een advokaat in den arm, opdat ze niet tegen de lamp loopen wegens bedriegelijke bankbreuk; Handelsblad, 23 Mei 1915 (ochtendbl.) p. 10 k. 3:

O! juffien in die lichte stad
Volg noit een vlinder op oe laivenspad.
Zorg, daj' één flinken kerel krieg,
Veur ie met de kop tegen de lamp vlieg.

Voor de verklaring dezer zegswijze kan men denken aan uitdr. als zich branden, zijn vingers (of handen) branden; 17de eeuw zijn gat schrapen, zich onwetend aan iets vergrijpen; zich door onvoorzichtigheid in moeilijkhededen wikkelen, tegen de wet handelen, doch daar tegen een lamp aanloopen volstrekt geen pijnlijke gevolgen behoeft te hebben, zie ik liever in lamp het bargoensche woord voor politie-agent (vgl. Köster Henke, 38: lamp, politie, onraad. Tegen de lamp loopen; Onze Volkstaal III, 196: lamp, politieagent; Kluge, Rotwelsch, 382: Lampen m. nennt man Jeden, der dem Diebe bei Ausführung seiner Angriffe auf fremdes Eigentum störend oder hindernd in den Weg kommt. Er hat Lampen bekommen, er hat Wind von einer Störung oder Hinderung erhalten; Verlampen, verscheuchen; auf einem Massematten verlampt werden, bei der Verübung eines gewaltsamen Diebstahls verjagt werden. Lampen nennt man endlich auch Späher, Vigilanten; Günther, 29: Lampen von lamdôn, eigentlich der Gelehrte, dann der gewitzigte Bestohlene, der das Verbrechen vereitelt (zie De Amsterdammer, 5 Nov. 1905, bl. 8Leuv. Bijdr. XIII, 185 In navolging van dit verkeerd begrepen lampen, door volksetymologie lampe (‘das stets hell leuchtende Auge des Gesetzes’) wordt in 't hd. de politieagent ook Laterne en Licht genoemd (Günther, Gaunerspr. 92; 100; evenzoo in 't fr. lampion, bec de gaz, politie-agent.). Loopt een inbreker tegen zoo'n ‘lamp’ aan, dan is hij er natuurlijk bij. Ook in den zin van een ongeluk krijgen, eene geheime ziekte opdoen, wordt ‘tegen de lamp loopen’, enz. gebruikt. Hier moet waarschijnlijk gedacht worden aan lamplicht, blijkens het hd. sich verbrennen, syphilitisch angesteckt werden (Kluge, Rothw. 372); eng. to be burned; fr. être échaudé. Volgens Woordenschat, 607 is onder militairen ook gebruikelijk aan de lamp likken (of aan de pan likken), zich schuldig maken aan eene overtreding, waarvoor men gestraft zal worden (ook hier moet natuurlijk aan een brandende lamp gedacht worden). Vgl. Harreb. II, 4: Hij heeft leelijk aan (of van) de lamp gelikt; P.K. 155: Maar als 't nou eens bankies waren geweest, dan zou je toch aan de lamp hebben kunnen likken, als de nummers bekend waren; Van Dale4: Hij heeft aan de pan gelikt (t.w. aan de gloeiende pan), hij is leelijk terecht gekomen; ook: hij heeft veel schade gehad.

1377. Hem loopt een luis over de lever,

d.w.z. hij wordt kwaad; eig. zijn lever, de zetel van den toorn1) wordt lichtelijk aangeraakt; vandaar: hij stuift op, wordt boos; vgl. Tuinman II, 229: Waarom zegt men van ymand, die licht om een beuzeling gram word: Hem loopt een luis over de lever?; Gallée 26 of Onze Volkstaal I, 126: um löp de lüse òver de lèver; Harreb. II, 20: Er loopt hem een luis over zijne lever; Het Volk, 27 Dec. 1913, p. 9 k. 4: Er zijn oogenblikken, waarin iemand een luis over de lever loopt, en doet men soms iets dat niet behoort; Jord. II, 11: Dat moest d'r compagnon, De Bochel, toch ereis kneisen. Daarbij liep hem een luis over de lever; Hesseling, Het Africaansch, bl. 85: Hij lijk of 'n vlooi oor sy lewer gekruip het; Afrik. Wat het nou weer oor jou lewer geloop? waarom ben je kwaad? 'n Vlieg het oor sy lewer geloop, hij heeft een slechte bui; Maastricht: Er trek e gezieg es of heum en loes euver zen lever krup; hd. es ist ihm etwas über die Leber gelaufen; die Laus läuft ihm über die Leber.

1431. Loop naar (om of rondom) de pomp (en haal water)!

Eene verwensching die wil zeggen loop heen! hoepel op!; zie Winschooten, 193: Loop in de pomp, en haal de klap naa je toe! dat is: loop pompen, want dat sonder het ophaalen van de klapH. Beckering Vinckers vat klep op als bovendeur en verklaart de uitdr. als: Loop naar de pomp en drink eens, en vergeet vooral niet de deur achter je te sluiten (Tijdschr. XXXIX, 149). Klap is mij in dezen zin onbekend. niet geschieden kan: het beteekend dan soo veel als loop hier van daan, en bemoeje met uuw werk: loop hudselen!; zie ook Com. Vet. 89. Of dit tweede gedeelte later er achtergevoegd is, kan vooralsnog niet worden uitgemaakt; vermoedelijk wel; vgl. Brederoo, 28, 425: Loopt met jouw duyten in ien pomp; zie Taal en Letteren III, 263; Staring's Jaromir te Praag, vs. 75: Loop naar de pomp, en drink u nuchtren, kwast! en vgl. de nu nog gebruikelijke zegswijze: loop naar de pomp en laat je wasschen; het fri.: rin nei de pomp en sûp wetter, waarnaast ook rin nei de Ryp op sleeptoffels (W. Dijkstra I, 293); stfri. loop na de Ryp op sloffen. Andere dergelijke zegswijzen zijn: loop naar de maan (en pluk sterren (C. Wildsch. III, 30; 343; eng. to wish one over the moon); ga naar Leuth, om sokken te wasschen (Harreb. II, 19); loop naar de galg (= lat. suspende te; fr. pends toi; eng. go and be hangedBesteedster, 7; Laat' er an de galg loopen!); vgl. Campen, 8: her wt an der galgen; Plantijn: gaet te galgewaerts, en zie Winschooten, 115, waar de uitdr. gelijk gesteld wordt aan: vaar heen voor scheepskok!; loop naar de canaries (Canarische eilanden); C. Wildsch. III, 254). In Limburg, volgens Welters, 105: loop naar de galg, dan valt er geen pan op het hoofd. Vgl. verder loop naar den hemel en verkoop je aan de hel (Harreb. I, 303 b); loop naar de Mookerhei (vgl. Gew. Weeuw. I, 23; C. Wildsch. III, 4), dat te vergelijken is met: ik wenschte, dat gij op de heide te Hoboken laagt (Harreb. I, 297 a; Schuerm. 389 a); in Kortrijk: ik wenschte, dat hij op nen hert naar Spanje reed (Schuerm. Bijv. 121 b); in Kl. Brab. loop naar de klooten (ook Antw. Idiot. 671), naar den galg; in Groningen: ik wol dat doe op de bloksbarg zatst (Taalgids IV, 282 en Eckart, 55); in de middeleeuwen (Bloeml. III, 126, 23): ic wilde hi zate in Jericho (vgl. hd. gehe nach Jericho und lass dir den Bart wachsen; eng. go to Jericho); in Amsterdam: loop naar de Pampus (ook bij Molema, 317 b); verder: loop naar de Franschen; loop naar je peet, naar je tante, je grootje; in de 17de eeuw: iemand voor den duivel (of droes, drommel) op Marken wenschen; Breughel, 27: ick wou de droes u lyff had te Aken gevoert; Rusting, 38: dat die de duvel haal en voer die op een kar na Bremen; verder: vaar voor alle Turken!; loop voor St.-Stuifzand! - voor St.-Truyen!; loop naar den duivel, drommel! - naar den bliksem (en help donderen) (in Antw. den blidderum); loop naar de weerlicht!, - den donder!, - de verdoemenis!, - de hel!, voor Joost (Sara Burgerhart, 38), - naar de weerga, - naar de koekoek(en) (Schuerm. 272 a en Antw. Idiot. 685); - naar de kloosters! (Schuerm. 349 b); - naar de knoopen (of de knoppen) (Schuerm. 350 a; Teirl. II, 219); loop knikkeren (Harreb. III, 37; Brieven v.B. Wolff, 228); loop, ga hoepelen (De Bo, 432); loop naar Pruis-Pommeren, klitsen bakken ('t Daghet, XVII, 2); loopt naar de paters en laat u belezen (Waasch Idiot. 101 b); loopt naar den bliksem en gaat helpen donderen (Waasch Idiot. 181 b); loop hutselen (Hooft, Ged. II, 422); Sart. II, 4, 16: loopt schijten, loopt kacken!; in Deventer: loop hen driten!; gron. loop hen 't schieten (Molema, 560 b); vgl. fr. envoyer chier qqn; loop î en nüsselen (Draaijer, 28); loop nao de wip (Draaijer, 49); loop om jotjes (De Bo, 471); - naar de stokken! (id. 1105); ga wat muis vangen (Rutten, 149); ga wat pissen; fr. envoyer pisser qqn (bl. 175); ga wat zuilen (bl. 294). Vgl. ook nog De Bo, 631 en 1049: draai uwe liere (of uwe ziel of uwe snaren) af; het fri.: gean op bêd, ju!; enz. enz.(Aanv.) Vgl. Prikk. V, 13: Dan kon ze rondom de pomp loopen! Het Volk, 20 Sept. 1913, p. 1 k. 2: Loop om de pomp, oude zemelknooper!

1931. In het riet sturen (- laten loopen of loopen),

d.w.z. in de war sturen; misloopen; eig. gezegd van een schuit, die vast loopt in het riet. Zie Winschooten, 207, die iets in het riet schuiven als synoniem opgeeft van iets in de pooten (wilgen), in den wal schuiven; Tuinman I, 151; Van Effen, Spect. VIII, 226: Wie zal op huis en huisraed passen, het loopt nu alles wel in 't riet; Halma, 539; vgl. verder Haagsche Reize, 103: zyne zaken in 't riet laten lopen; Westerbaen II, 475: zich selven in 't riet seylen; Janus, 33: in 't riet sturen; Pers, 737 b; 884 b: in het riet loopen; zoo ook bij Janus, 159; Onderm. 75; Kippev. II. 217: En met ‘de Burgervriend’ loopt het heel in 't riet. Die wil hij met 1 Juli opdoeken. Vgl. voor Zuid-Nederland Joos, 116: zijn schip in 't riet stieren, zijne zaken verwaarloozen; Antw. Idiot. 1995: in 't riet geraken, arm worden, ten onder geraken, tot armoede vervallen.

2237. Op zijn tandvleesch loopen,

d.w.z. op de randenOok in anderen zin worden ‘uitstekende randen’ tandvleesch genoemd; zie Boekenoogen, 1049. van het overleer der schoenen loopen; op doorgesleten schoenen loopen; arm zijn, aan lagerwal zijn. Vgl. Harreb. II, 324: Hij loopt op zijn tandvleesch, de zolen vallen uit zijne schoenen; Falkl. VII, 80: Ik loop op me tandvleesch - geef mijn 'n paar leeren pantoffels van 'n gulden of drie; Landl. 227: Me schoenen ben door, 'k loop op me tandvleesch; Kalv. II, 99: De bende van de Nieuwe Gids .... allemaal nieuwe lichters, die op hun tandvleesch liepen. De honger in hun oogen; Zandstr. 45; Handelsblad, 7 Oct. 1914 (avondbl.) p. 1 k. 1: Een dusdanige toestand der zenuwen welke menschen (vluchtelingen) als het ware op hun tandvleesch deed wankelen, was overal zichtbaar; 11 Febr. 1920 (A) p. 13 k. 2: En ik was toen zóó aan lager wal, dat ik eigenlijk zonder zole op m'n tandvleesch liep; Nkr. VI, 23 Maart p. 6:

 'k Heb thuis geen stukje meer, waar Oom Jan op wil leenen,
 'k Loop op mijn ‘tandvleesch’ en geen broek meer aan mijn beenen.Volgens M.J. Koenen, Verklarend Handwdb.10 komt de uitdr. ook bij Multatuli voor.

Voor Zuid-Nederland vgl. Antw. Idiot. 1221: Op zijn tandvleesch loopen, gansch ten ondere zijn, arm zijn.

2288. In den tredmolen loopen,

d.w.z. den sleur der dagelijksche bezigheden volgen, evenals een dier, dat in den tredmolen altijd hetzelfde machinale werk verricht. Een tredmolen (hd. Trettmühle; eng. treadmill; fr. treuil à tambour) is een molen, die in beweging gebracht wordt door een draaiend rad, op welks uitstekende planken door een mensch of een dier getrapt wordt. Ook als strafwerktuig werd zulk een molen gebruikt: de veroordeelde moest het rad in beweging houden en hield zich daarbij aan een lat boven zijn hoofd vast. Trapte hij niet, dan liep hij gevaar door de planken gekwetst te worden; trapte hij mis, dan had hij kans verbrijzeld te worden. Vgl. Wereld Bibl. no. 294*: De gewone gang van zaken is, dat de mensch zich zoo goed mogelijk aanpast aan de dagelijks terugkeerende onderdeelen van 't werk of bedrijf, dat hem is opgelegd en dat hij dit werk doet als een hond die in den tredmolen loopt. Hij wordt dan een deel der machine, die hij in beweging houdt: de man zelf is te loor gegaan; Slop, 179: Hij moest nu stomgestadig aanpeuteren, voortzwoegen als in een tredmolen; Nw. School. III, 326: Barend Wels zat weer voor z'n klas, den eersten morgen na de vacantie en was zijn tredmolenleventje weer begonnen; Nw. Taalgids, VII, 249: Het schijnt nu eenmaal moeilik voor iemand die door de tredmolen van de onderwijzers-opleiding is heengegaan zich vrij te maken van de wanbegrippen omtrent taal; Handelsblad, 20 Oct. 1920 (O), p. 2 k. 6: Ik vond het jammer, dat ons muziekleven zulk een heerlijk talent dwingt tot het afjakkerend draven in den concerttredmolen. In de 17de eeuw zeide men In den rosmolen loopen, ‘dat is, gestaadig, en sonder ophouden met sijn daagelijksen arbeid, en beroep beesig sijn’ (Winschooten, 157); Sewel, 681: In de rosmeulen loopen, to eat one's bread in sorrow, to have a great deal of trouble to earn one's bread. Een rosmolen (fr. moulin à chevaux ou à manège; hd. Pferdemühle; eng. horse mill) is een molen (b.v. een draaimolen of een kalkmolen), die door een paard in beweging gebracht wordt, waarbij het dier altijd in denzelfden kring rondloopt (Brederoo, Moortje, 1501; Ndl. Wdb. XIII, 1406). Wellicht is de rosmolen vervangen door den tredmolen onder invloed van het hd. Trettmühle ‘gewöhnlich bildlich um eine gleichmäszig fortdauernde, eintönige Beschäftigung anzudeuten’.

2322. In de val loopen (of geraken),

d.w.z. bedrogen worden, zich laten beetnemen, er inloopenNdl. Wdb. VI, 1796., in de strik loopen, in de fuycke oft piere (strik) comen (Stallaert I, 431), er ‘inloopen’; eig. gezegd van wild, dat in een valkuil nedertuimelt en zoo gevangen wordt, of van een muis; vgl. lat. in foveam decidere (Otto, 146); Brederoo I, 365 vs. 1848: Gaet veugel daar gy gaet, je loopt selfs in u val, gelijck de muys; Halma, 660: Ergens in de val loopen, tomber dans quelque malheur; hd. in die Falle gehen; fr. donner dans le panneau; eng. to fall into a trap. Zie no. 585.

2494. Voor iemand door een (of het) vuur loopen (of vliegen),

d.i. voor iemand zich aan een groot gevaar blootstellen; uit genegenheid voor iemand alles, ook het gevaarlijkste, doen. De zegswijze komt ook in de klassieke talen voor; vgl. gri. δια του πυρος Βαδιζειν; lat. per flammam currereOtto, 171; Journal, 142; Ilias, κ, 246-247.. Bij ons trof ik haar het eerst aan in de 17de eeuw bij Brederoo, Moortje, 1359: Met een tooghje Wijns of met een beker Bier so soumen jagen u door Water en door Vier; Paffenr. 60: Ja, ik moet bekennen dat ik voor hem behoor te loopen door een vuur; De Brune, 76: Door vuur en swaert gaen onvervaert (vgl. Ovid. Met. 8, 76: ire per ignes et gladios ausim); Br. v. Abr. Bl. III, 145: In het vuur loopen voor; Van de Werve, Den predickenden Jonas (1777): Waer het saeken dat zy my een schoon woord gaeven, ik soude door een vier loopenAangehaald bij De Bo, 1360 b.; Kluchtspel, III, 103: Met een dronck goet bier souj' hem krijghen waer je wout, jae deur water en deur vier; Harreb. II, 428 a; Kalv. I, 136: Ik vlieg voor u door 't vuur; afrik. vir iemand deur die vuur loop; De Bo, 1360 b: voor iemand door een vier loopen of springen, al doen wat mogelijk is, hem zeer beminnen; Joos, 74; Antw. Idiot. 1371; Waasch Idiot. 711; hd. für jemand durchs Feuer gehen oder ins Wasser springen; fr. se jeter (ou passer) dans le feu pour qqn; eng. to go through fire (and water) for a p.; fri. foar immen troch 't fjûr fleane.

2497. Het vuur uit de sloffen loopen,

d.w.z. zich veel moeite geven; eig. gezegd van een paard, dat zoo snel loopt, dat door de aanraking van hoeven en straatsteenen de vonken er uitvliegen. Vgl. Harreb. II, 275: Hij loopt het vuur uit de sloffen; De Arbeid, 3 Oct. 1914 p. 2 k. 2: De arbeiders, welke zich eerst het vuur uit de sloffen geloopen hebben om den heer Prins en zijn kornuiten op het kussen te brengen; Het Volk, 27 Juni 1914 p. 2 k. 3: Het is duidelijk, voor wie vooral deze laatste hulptroepen van den heer Van Diesen zich zoo voor dezen het vuur uit de sloffen ziet loopen; Nkr. I, 6 Oct. p. 2: Wel liepen de dames kiesrechtbeweegsters niet voor hem het vuur uit de sloffen? IV, 22 Mei p. 2: In plaats van zich het vuur uit de sloffen te loopen om mijnheer A of mijnheer B 'n paar stemmen meer te bezorgen; Nw. Amsterdammer, 23 Januari 1915 p. 11 k. 1: Toen ik het vuur uit mijn sloffen geloopen had, om de kastanjes voor hem uit het vuur te halen, liet-i mij tegen de lamp vliegen; Kippev. II, 157: Ik zal me het vuur voor je uit de sloffen loopen; Het Volk, 17 Juni, 1915 p. 1 k. 3: Ook nu weder zullen wij getuige zijn van het schouwspel, dat de arbeiders zich het vuur uit de sloffen loopen, om de profeten van het behoud opnieuw met macht te bekleeden; Nkr. IX, 10 Juli p. 6: Hij liep 't vuur uit z'n sloffen om werk te vinden; 17 Juli p. 6; Handelsblad, 3 Jan. 1916 p. 1 k. 4 (A): Die vóór den oorlog zich het vuur uit de sloffen liep om steenkool te verkoopen, is nu en gros handelaar in varkens; Ndl. Wdb. VIII, 2838; enz. In Zuid-Nederland zegt men in dezen zin: Veur iet of iemand de schoenen van zijn voeten loopen (zie Antw. Idiot. 2019), zijn voeten uit zijn schoenen loopen of de zolen van de schoenen loopen, dat te vergelijken is met het 17de eeuwsche zijn schoenen afloopen (zie Brederoo I, 320, vs. 305).

2500. Een loopend vuur(tje),

in de zegswijze ‘'t gaat voort als een loopend vuurtje; dit past op 't geen zich spoedig alom verspreit; gelyk zulke loopende tydingen en straatmaaren, die de een den anderen voort vertelt. De gelykenis is eene streek van aangesteken buskruid’ (Tuinman II, 218). Dat deze verklaring juist is, blijkt uit Pers, 896 a: Hy wilde daer eenige tonnen kruyd brenghen, om die met een loopent vier (d.i. een lont) te ontvoncken; Hooft, Ned. Hist. 901: In de kerke, een' myne te graaven en kruyds genoegh daarin verborghen, te doen slagh maaken door een loopend vuur; De Brune, Bank. I, 159: Die in een quaed gheruchte komt, is half ghehangen en verdoemt. Dat eens ghevat zijnde, loopt gheduyrich voort, als een viertjen, daer buskruyt ghestroyt is. Zie verder Vondel, Gebroeders (ed. 1650), bl. 42: Zijn yver brandt, gelijck een loopend vier, en vlieght terstont door 't gantsche rijck; Pers, 377 b: Dese opstand van Brussel vloogh, als een loopend vier, door 't geheele land; Pasquil-maecker, 17; Gew. Weuw. III, 49: o Goon, dat zal morgen door de Stad gaan als een loopend vuurtjen; Esopet, Napelsche Hengst, 4: Dat slaat voort als een loopende vuurstroom door de geheele stad; Van Effen, Spect. XII, 53: De wraek is een loopend vuur; Sewel, 460; Van Beers, Gedichten (anno 1885), bl. 266; Amst. 37; Menschenw. 529: Iedereen weet het reeds in Wieringerland, dat gaat als een vuurtje; Handelsblad, 4 Jan. 1915 (avondbl.) p. 6 k. 5: Het nieuws dat H.M. de Koningin heden zou komen, had zich als een loopend vuurtje door de stad verspreid; fri. in kwea' namme rint foart as diggelfjûr (St.-Elmsvuur); it nijs roan as diggelfjûr troch de bûrrenFri. Wdb. I, 272 a.; eng. a running fire; to spread like wild-fire; hd. sich wie ein Lauffeuer verbreiten; fr. se répandre comme une trainée de poudre. In Zuid-Nederland: rondgaan gelijk een loopende vier (o.a. Antw. Idiot. 1371).

2543. Loop naar de weerga!

d.w.z. loop heen! loop naar den drommel! Kiliaen verstaat onder wedergaede, consors, compar, dus ‘iemands gelijke’, eene bet. die ‘weerga’ altijd heeft behouden, zoodat deze zegswijze wel verklaard wordt als: ‘loop naar de weerga (van je zelf)’; dus: ‘naar je gelijke’. In dezen vorm is zij evenwel niet aangetroffen; men zou ook ‘loop naar je weerga’ verwachten. Stellen we hiernaast: loop naar de(n) weerlicht (= naar den bliksem) en as de weerlicht = bliksems gauw (Molema, 577), syn. van als de verdommenis (in Kmz. 374); dei weerlich! (een bastaardvloek), fri. de wearlich, waarvoor men ook hoort als de weerga! en de weerga! waarnaast ook bekend is de weerga (de brui, den bliksem) van iets geven en vergelijkt men: wat weerga! wat bliksem!; ‘een luie weerga van een jongen’ naast ‘een luie bliksem van een jongen’ of ‘een luie weerlicht’ (De Bo, 1379 b; Rutten, 274 a); die weergasche vent! naast die bliksemsche, die weerlichtsche vent (fri. dy wearlichse jongen naast dy stoarmske bern) in welke uitdrukkingen ook duivel(sch) en donder(sch) gehoord wordt, dan valt het moeilijk aan weerga eene andere bet. toe te kennen dan die van duivel, donder of bliksemVgl. E. Wolff-Bekker, De Grijzaart: Ze kan weerschoens mooy zingen; het Ndl. Wdb. I, 951 i.v. afgebliksemd en verder de artikelen afgedonderd, afgeduiveld, afgedrieduivekaterd, afgehageld, afgeweerlichts en dergelijke ruwe versterkingswoorden.. Het blijft echter de vraag, hoe weerga aan deze beteekenis is gekomen. Heeft men wellicht eenvoudig het ruwe weerlicht vervangen door weerga, evenals bijv. belul door benul en wentelteefje (d.i. wentel het eventjes?Ndl. Wdb. III, 1537. In Friesland heet dit gebak hounsfotsje, hondsvot; eig. teeldeel van eene teef.) somtijds door het quasi meer fatsoenlijke wentelreutje of draaireu? Zie ook Noord en Zuid XXI, 480.

2647. Met zijn ziel onder den arm loopen,

d.w.z. zich vervelen, rondloopen, zonder iets te doen te hebben; vgl. Harreb. I, 19: Hij loopt met zijne ziel onder den arm; Leeskabinet, 1863, 13: Van doctors gesproken, die loopen nu warempel ook al met de ziel onder den arm; want geen jaar nog was er zoo'n epidemie van - gezondheid, als in 't jaar 1862; Nkr. IX, 10 Juli p. 7: Om negen uur waren al de Joden an 't korveeën, en wij liepen met ons ziel onder ons arm hierboven over 't fort; Het Volk, 8 Sept. 1915 p. 6 k. 4: Al die menschen loopen hier 's Zondags met d'r ziel onder den arm, want in dit gehucht is geen afleiding, geen gelegenheid tot lezen of studeeren; Handelsblad, 28 Juli 1917 (A) p. 13 k. 5: Weet dan dat wij na den dienst in een of ander Brabantsch gehucht veelal met onze ziel al 3 jaar onder arm loopen en niets meer doen dan kankeren; afrik. met jou siel onder jou arm rondloop.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

ku̯elp-1, ku̯elb- : ku̯l̥p/b- : klup/b- ‘mit den Knien einknicken, stolpern; traben’

Gr. κάλπη ‘Trab’ (*κϝάλπα, *ku̯l̥pā);
nhd. holpern, mdartl. holpeln, hülpen, holpel ‘ungeschickter Mensch’; unter Annahme sekundärer Hochstufe *kleup/b- hat man got. hlaupan ‘laufen’, us-hlaupan ‘aufspringen’, anord. hlaupa ‘springen, laufen’, ags. hlēapan ds., ahd. (h)loufan ‘laufen’ (mhd. Partiz. geloffen) angereiht;
apr. po-quelbton Nom. Sg. ‘kniend’ (b = p), lit. klumpù, klùpti ‘stolpern’, klúpau, klúpoti ‘knien’, lett. klūpu Adv. ‘strauchelnd’, lit. klaupiúos, klaũptis ‘niederknien’; lett. kluburât ‘hinken’, kluburs ‘lahmer Mensch’ (lit. klumbas ‘lahm’ hierher oder zu lett. klam̃bât ‘plump gehen’).

WP. I 473 f., Trautmann 137.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal