Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

loom - (traag, lusteloos)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

loom bn. ‘traag, lusteloos’
Vnnl. lome ‘traag, lui, lusteloos’ [1599; Kil.], mijn slapend lichaem loom [1606; WNT].
Herkomst onzeker. Indien het woord inheems is, moet het zijn ontwikkeld uit Proto-Germaans *laum-. De andere West-Germaanse woorden wijzen echter op *lōma-, dat klankwettig tot Nederlands *loem zou moeten hebben geleid. Nederlands loom is pas relatief laat geattesteerd en lijkt te zijn overgenomen uit oostelijke dialecten, waarin de lange -ō- onveranderd bleef.
Bij pgm. *lōma- horen: nnd. dial. lōm ‘moe, flauw, lui e.d.’; ohd. -luomi ‘mild, vriendelijk; rijkelijk’ in bijv. gastluomi ‘gastvrij’, unmanaluomi ‘onmenselijk, verschrikkelijk’, wazzarluomi ‘waterrijk’ (mhd. lūme ‘zacht, slap, mild’); nfri. loom ‘traag’ (met de afleiding lomich ‘gebonden (van vloeistoffen)’); vne. loom ‘slap, zwak (van een wind)’. Wrsch. met dezelfde wortel als in pgm. *ga-lōma-, waaruit: mnl. gelome ‘rijkelijk’ [ca. 1450; MNW]; ohd. giluomo ‘vaak’; oe. gelōme ‘id.’. De betekenisontwikkeling ‘slap’ > ‘mild, vriendelijk’ > ‘vrijgevig, rijkelijk’ > ‘vaak’, zoals voorgesteld door Rooth (1971) is niet geheel overtuigend. De oudste attestaties van het Germaanse woord, namelijk de Oudhoogduitse, wijzen eerder op een oorspr. betekenis ‘rijkelijk’.
Verdere etymologie onzeker. Formeel kan pgm. *lōma- ablautend verwant zijn met *lama- ‘kreupel’, zie → lam 2, maar indien de oorspr. betekenis niet ‘slap’ maar ‘rijkelijk’ is, is dat minder wrsch.
In het hierboven reeds afgewezen geval dat nnl. loom < pgm. *laum-, kan hierbij alleen on. leyma ‘zwakkeling’ (nijsl. leyma) horen. De verdere etymologie is dan onbekend.
Zie ook → lummel.
Lit.: E. Rooth (1971), Studien zu drei Adjektiven aus der althochdeutschen Frühzeit. arundi, unmanalomi, widarzomi, Lund; Heidermanns 1993, 385-386

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

loom* [vermoeid] {lome [traag, lui] 1599} oostfries lōm [kreupel, moe], hoort bij lam2, middelnederlands lam, laem.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

loom bnw., Kiliaen lome ‘traag, lui’, oostfri. lōm ‘kreupel, moe, flauw, afmattend’, Eemsl. lôm ‘drukkend, zwoel; lui; mager’, wijzen op een grondvorm *lauma. — Men kan verbinden met de groep van lui, maar eerder ligt samenhang met lam voor de hand.

Wij vinden naast elkaar de vormen germ. *lama in lam, *lōma in ofri. lōm, ohd. luomi ‘slap’, *lauma in loom en on. leyma ‘zwakkeling’ en *lumma, waarvoor zie: lummel. — Hier zal sprake zijn van jongere affektieve klankwisseling, zoals ook in de verhouding van laf en loof 2 (zie J. de Vries PBB 80, 1958, 26-7).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

loom bnw., nog niet bij Kil. Een oostelijke dial. vorm met oo uit germ. ô: = oostfri. lôm “kreupel, moe, flauw, afmattend”. Ablautend met lam II, voor andere vormen met germ. ô zie aldaar. Minder wsch. is een grondvorm *(χ)lau-ma-, van een der bases, bij lui II besproken, gevormd. Zaansch lom “loom, stram” kan een dgl. o hebben als blom naast bloem.

[Aanvullingen en Verbeteringen] loom. Eer < *χlauma-: NB. Goer. lôm en eemslandsch lôm; dit laatste = “drukkend, zoel” en “lui” en “mager”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

loom. Kil. lome ‘tardus, piger’. Eemsl. lôm ‘drukkend, zoel; lui; mager’ wijst evenals sommige holl. dial. vormen op *(χ)lau-ma- (v.Wijk Aanv.) Andere holl. dial. vormen hebben ō; deze kunnen evenals Kil. lome, ook zaans lom en ndd. lumm ‘mat, slap’, hiermee ablauten. Vgl. nog lummel Suppl. Dit *lau-ma- of *χlau-ma- is moeilijk op overtuigende wijze verder te combineren: het zou bij de groep van sluimeren, eventueel bij de onder verliezen besproken idg. basis *leu- ‘losmaken’ kunnen behoren.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

loom bijv., met dial. ô voor oe, Mnl. loeme + Ohd. luomi (Mhd. lüeme): vertoont den st. graad van den wortel van lam: vergel. dragen, droeg; varen, voer.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

leem 2 (O), bn., scherpl. e (èè): loom, traag. Verwant met lam en loom.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Lam (verlamd), van den Germ. wt. Lam = krachteloos zijn. Verwant is loom en belemmeren; het Mnl. lemen bet.: lam maken, van leme = verlamming. Zie Leemte.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

loom* traag, mat 1599 [Kil.]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

lem-1 ‘zerbrechen; zerbrochen, weich’

Gr. νωλεμές, -έως ‘unermüdlich’, vielleicht aus ‘nicht zusammenbrechend’, auf Grund eines mit Präp. o- gebildeten *ὄ-λεμος n. *ὀ-λεμής;
ven. MN Lemetor;
air. ro-la(i)methar ‘wagt’, cymr. llafasu ‘wagen’, corn. lauasos ds., mbret. lafuaez ‘licit’, auch cymr. cyflafan ‘Untat’, vielleicht zu mir. la(i)me ‘Axt’; mit anderer Bedeutung: mir. lem ‘fade, töricht, impotent’, air. lemnat ‘Eibisch’, mir. lemlacht, lemnacht ‘süße Milch’, cymr. llefrith, bret. livriz ds., mcymr. llyveithin ‘schwach’ (*lemekt-);
vielleicht alb. lemë, geg. lamë ‘Tenne, Ölmühle’ = russ. lom;
ahd. as. lam (*lom-), aisl. lami ‘lahm, verkrüppelt’, ahd. lemmen, asächs. lemmian ‘lähmen’, ags. lemian ‘ds., zähmen (ein Pferd)’, aisl. lemia ‘schlagen, entzweischlagen; hindern’, ō-stufig ahd. luomi ‘matt, nachgiebig, mild’, mhd. lüemen, luomen ‘ermatten’, reduktionsstufig aisl. luma ‘loslassen’, alem. lumme ‘schlaff werden’, nhd. dial. lumm ‘schlaff’, dazu nhd. Lümmel; mhd. lunzen ‘leicht schlummern’, ostfries. lōm ‘gelähmt, hinkend, matt’, schwed. lōma ‘steif oder schwerfällig gehen’; ē-stuf.: norw. laam ‘lahm’;
lett. l’imstu, l’imt, lit. lìmti ‘unter einer Last zusammenbrechen’, apr. limtwei ‘brechen’; lit. lémti ‘es fügen, vorausbestimmen’, lett. lem̃t ‘bestimmen, urteilen’; lit. lamìnti, Kausat. lámdyti ‘ausbilden, trainieren’; dazu wohl auch lit. lúomas ‘Art, Gattung’;
abg. loml’jǫ, lomiti ‘brechen’, -sę ‘sich abmühen’, russ. lom ‘Bruch’, Pl. lómy ‘Gliederreißen’ usw.; abg. prělamati ‘brechen’ usw.; e-Stufe in osorb. lémić ‘brechen’, wohl auch ksl. lemešь ‘Pflug’ (von einem es-St., wie νωλεμές), lett. lemesis ‘Pflugschar’; mit ē-Stufe skr. lȉjemām, lijèmati ‘schlagen’.

WP. II 433 f., WH. I 760, Loth RC 39, 67 f., Lidén Mél. Vising 378.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal