Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lomp - (slijmvis)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

lomp 3 zn. ‘naam voor verschillende vissoorten’
Mnl. lompe ‘puitaal, kwabaal’ [1287; CG II]; vnnl. lompe .j. aelquabbe ‘lomp, zie kwabaal’ [1599; Kil.].
Martinus Houttuyn geeft in zijn Natuurlijke Historie of uitvoerige beschrijving der dieren de volgende definitie: Lump. Deeze Visch, die in de Oost- en Noordzee gemeen is, wordt aldaar van de Duitschers Zee-Haas ..., van onze Visschers Snotcolf, van den Engelschen Lumpfish en Sea-Owl ..., van den Zeeuwen Klieft geheten. Die naamen drukken min of meer de gedaante uit, welke zeer lomp en wanstaltig is [1761-85; WNT]. De naam zou, als deze interpretatie klopt, afgeleid zijn van → lomp 1 in een oude betekenis ‘brok, klomp’.
Nnd. lump(en); ne. lump; nzw. lump (ontleend aan het nnd. of nnl.).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lomp2*, lump [slijmvis] {lompe 1287} nederduits lump(en), van lomp3 [plomp], zo genoemd naar zijn vorm.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

lomp 2 znw. m. v. ‘zoetwatervis, puitaalʼ, nnd. lump, lumpen, ne. lump; daarnaast in Z.O. Vla. lonte. De vis is genoemd naar zijn plompe vorm en dus = lomp 1. — > ne. lump (sedert 1545, vgl. Bense 201).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

lomp II (vischnaam), mnl. lompe v. (o.a. bij Maerlant). Ook op du. taalgebied. Verwant met lomp I? Vla. ook lonte.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lomp 1 v. (visch), Mnl. lompe + Ndd. lumpen. Eng. lump: behoort bij lomp 4.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

lomp (de, -en), fors gebouwde roofvis met brede, platte kop, grijzig met onregelmatig donkere tekening, levend in zee (Batrachoides surinamensis). De Lomp wordt 1½ voet lang, 2-3 pond zwaar en wordt gaarne gegeten (Enc.NWI 76). - Etym.: AN l. is een naam voor diverse zee- en zoetwatervissen, i.h.b. de puitaal (Zoarces viviparus). De S naam ’lompoe’ wordt meer gebr. (zie Enc.Sur. 384).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

lomp ‘benaming voor verschillende soorten van zoetwater- en zeevissen, waaronder de snotolf’ -> Engels lump ‘snotolf’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds lumpfisk ‘snotolf’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans † lompe ‘snotolf’; Italiaans lompo ‘snotolf’ <via Engels>; Sranantongo lompu ‘slijmvis’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal