Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

lollepot - (lesbienne)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

lollepot* [lesbienne] {1901-1925, ouder in de betekenis ‘verwarmingsmiddel’ 1567} samenstelling van verouderd lollen [de dijen koesteren] {1599} d.w.z. met gespreide benen het onderlijf warmen onder de rok boven een pot, dat is vuurpot; tegenwoordig veelal verkort tot pot.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

lollepot m., van den stam van lollen = praten, lui zijn, dus zoveel als vuurpot waarbij men lolt.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

lollepot, zn.: vuurpot (als voetstoofje). Samenst. met Vnnl. lollen ‘de dijen warmen, het onderlijf warmen boven een lollepot’. – Bibl.: F. Debrabandere, Lullepot(ten). Nederlands van Nu 32 (1984), 33-34.

rollepot, zn.: lollepot, vuurpot. Door dissimilatie uit lollepot.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

lollepot: (Bargoens, verouderd) lesbische vrouw. Reeds bij Henke. Van lollen: bij de haard of boven een stoof zich warmen (Kiliaen). In de zeventiende en achttiende eeuw was een lollepot een stenen pot met een gatendeksel, waarin vuur werd gedaan ter verwarming. Oorspronkelijk werd gedacht aan het onderlijf warmen onder de rok boven een dergelijke pot. Lollypop* was (in de jaren vijftig) een vriendelijke verbastering van lollepot. Een minder bekende betekenis van lollepot is ‘zeurkous’. Hierbij wordt de associatie gelegd met het werkwoord lollen (zeuren, zaniken, maar ook: krollen, en dat betekent ‘geil zijn’). Iemand die de ganse dag zingt of neuriet wordt eveneens een lollepot genoemd. Deze laatste betekenis o.a. bij Boekenoogen.

Dan roste ik met m’n bootshaak die bleke lollepotten van mijn lijf (Jan Mens, Goud onder golven, 1949)
‘Klootzak,’ riep Jan, ‘wist je dan niet dat dat wijf lollig is?’ Verbaasd zei ik nog met me klotekop: ‘Is ze dan een lolliepop?’ (Haring Arie, Recht voor z’n raap, 1972)
Beter een lollepot als van onderen gesloten. (T. Bosch, Bet van Beeren. Koningin van de Zeedijk, 1977)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

lollepot lesbienne 1906 [Köster Henke]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal